25.
Gouden harpe, Apollo's kleinood!
In de trilling van uw snaren ruischt het woord van 't eeuwig Schoon.
Dart'le jonkheid vlecht de reien,
En in 't duister menschenharte gloeit de dichtvonk, op úw toon!
In uw harmoniënstroomen
Wordt de bliksemschicht der gramschap van den hoogstenGod gebluscht,
En zijn aad'laar sluit de vlerken,
Bij den golfslag van uw klanken 't spiedend oog in slaap gesust.
't Dichte woud der oorlogslansen
Vlijt en buigt zich golvend neder als de halmen voor den wind.
Hartstocht staat en toeft en luistert,
Tot het in uw maat en orde zelfbedwang en rust hervindt.
Heden, Toekomst; Aarde en Hemel;
Wat de zinnen hier aanschouwen en wat eeuwig wezen moet,
Voert uw tonenmeng'ling samen,
Waarin alles, eén omarming, eén verrukking! zich ontmoet.
Pythia I.