19.
Wel hem, die aan des redders hals mag hangen,
Het dankbaar oog van tranendauw besproeid!
Want dubb'le gift heeft elke ziel ontvangen,
Die 't geen ze ontving tot vuur'gen dank ontgloeit!
o Laat de zielen, - 't is het edelste genieten, -
Van Gods profeet en van zijn jong'ren samenvlieten!
Hoe teeder is de band die u vereenigt
Met hem, die u van God werd tot profeet!
Geen smart, die zijn nabijheid u niet lenigt,
Ja, die ge in zijn gemeenschap niet vergeet!
Hij troost u als een vriend, hij leidt u als een vader.
Gij zijt uzelf nabij, maar hij is eind'loos nader.