27.
Als wij in 't minst niet schromen,
Zien wij het ergste komen,
Wij, speelbal van een God!
Ook breekt er middagluister
Door schijnbaar nacht'lijk duister.
o Schertsend Menschenlot!
Met hoop en vrees van blinden,
Die nooit het rechte vinden,
Drijft gij gelijken spot. -
Dus, vrienden, zoo ons 't Morgen
Toch altijd blijft verborgen,
Is angst en hopen zot.
Wie 't Toeval stil laat zorgen,
Heeft kansen op genot.
Olympia XII. Men kan Bilderdijk's bearbeiding dezer Ode vinden in Deel 8, bl. 48 vgl. van de uitgave zijner Werken bij A.C. Kruseman.