4.
Het was een dichterziel, vol wondere gedachten!
Reeds greep zijn meesterhand gevoelvol in de snaren.
Zijn lied was beurtelings een stout ten Hemel varen, -
Wie kon zijn vlucht, wie zijn verheffing evenaren? -
En beurt'lings tuigend van vertwijf'len en versmachten.
Ik trachtte 't raadselschrift in zijn gemoed te lezen.
Moet zooveel dorheid zich aan zooveel bloesems paren?
Het gif der wereld zelfs een dichterziel niet sparen?
De held, die God aanschouwt, straks in den afgrond staren?
Gedoemd den maalstroom van de zinn'lijkheid te vreezen!
Te vreezen? Meer dan dat! De maalstroom sleurt hem mede.
Zijn dichterlied verstomt. Hij wandelt donk're wegen.
Hij wil den zwijmelkelk tot op den droesem leêgen. -
Zijn genius is, 't hart vol rouw, omhoog gestegen:
De dolk verdween! Slechts bleef de leêge en stompe scheede.
Gevallen dichterziel! Dat God u eenmaal wijz'
De plaats, dichtst bij zijn troon in 't hemelsch Paradijs!