5.
God deelt Zijn raad aan 't koor der eng'len mede:
Ik schep den mensch, een wezen mij gelijk;
Een wezen, dat op aard mijn plaats bekleede,
En koning zij in mijn benedenrijk!
Met diepe ontroering is dat woord door hen vernomen,
En bevende een van hen tot voor Gods troon gekomen:
‘Spaar, Allah! spaar dien wanklank aan de tonen
Van lof en dank, die 't vlekk'loos eng'lenkoor
U toezingt. Laat op aarde wezens wonen!
Maar niet, wier weg gelijkt éen bloedig spoor;
Maar niet. die van de Hel de woede en wanhoop borgen!...’
Ik weet, sprak Allah toen, wat u nog is verborgen.