40.
Eenige Jonkheid, o godd'lijke bode
Van Afrodite's verrukk'lijke weelde!
Nu wiegt ge in sluim'ring en zalige droomen,
Toov'rend wat liefde en verbeelding begeeren,
Nu wiegt ge in sluim'ring verteederde zielen,
Die, door gebalsemde luchten gedragen,
Dronken van liefde, bedwelmd van haar wellust,
Leven door 't leven niet langer te voelen; -
Dán doet gij plots'ling een stormwind ontwaken,
Bron, gij! dier kracht die geen weerstand kan dulden;
Alles veroov'rend in blakenden hartstocht;
Kracht, eer de prooi van de klauwen des afgronds,
Dan dat zij 't hart, dat zij aangrijpt, weer loslaat!
Eenige Jeugd, in behoud en vernielen
Onvergelijkbaar, in lusten en driften
Toovenaresse, gezant, gij! van Eros!
Wat gij ook brengt: zij het dood, zij het leven,
Ja, ook de dood, toont het waas van uw schoonheid
Nemea VIII.