21.
Eens werd een stoet van de allerfierste paarden
Voor Salomo op 't schoonst ten toon gesteld.
Hoe de oogen op die eed'le dieren staarden!
't Uur des gebeds is reeds voorbijgesneld.
Hij, nu hij 't merkt, beveelt de pezen door te snijden.
Niets houde 't hart terug van zich aan God te wijden
Nu vloeit, nu gutst het bloed uit de open wonden!
Meêdoogenloos gebroken werd hun kracht.
Het offer heeft bij God genâ gevonden;
't Werd door den vorst met bloedend hart gebracht.
Maar wat men Gode wijdt is nimmer weggeworpen:
Der winden snelheid wordt door God hem onderworpen.