1.
Een krans viel u in 's levens strijd ten deel?
Uw kroost betreedt alreede 't zelfde spoor,
Waarop de zege u lonkte? 't Zij genoeg!
't Bevreemde u niet, zoo smart uw beker mengt.
Volmaakte vreugd bloeit niet in de' aardschen hof.
Een God alleen is zalig!
Hij verschijnt,
En bij zijn komst wordt roerloos, wie weêrstond,
Of bruischt de lofzang uit het vroom gemoed.
Voor ons geen zege, of zij moet heeling zijn
Der wond, die de eigen prijs der zege was.
Een klacht, een zucht doorruischt elk zegelied.
Toch, hef het aan, den jong'ling tot bezieling,
Voor 't maagd'lijk hart een bron van overdenking.
Pythia X.