18
Mag zij den mensch tot blijvend voorbeeld wezen,
De wijsheid, nog naar Salomo genoemd:
Natuur heeft zelf dien Koning onderwezen
In alles dat de ziel als 't hoogste roemt.
Gods zangers hebben zelf het al hem toegefluisterd.
Uw taal, o hemelkoor! heeft Salomo beluisterd.
De leeuwrik sprak hem van den blijden morgen;
Van de avondrust de wond're nachtegaal:
De morgen bloost en lacht na bange zorgen;
Na 't daag'lijksch werk wenkt vredig, gul onthaal.
En de aad'laar, die de zon in 't aanschijn is gevlogen,
Nam 't lijdend harte meê ver boven 's hemels bogen.