32.
Als grillige lichten,
Dansen de dwalingen,
Langs den weg van den altijd verleidbaren mensch!
Is de ure gekomen,
De ure van handelen,
Wie voorziet dan de toekomst, de vrucht van zijn daad?
Voorzichtigheid eeren,
Wand'len in need'righeid,
Dat alleén geeft nog hoop, dat we ontvlieden 't gevaar;
Want plotseling stijgt soms,
Duistere neveldamp,
De vergetelheid op en belet ons te zien!
Olympia VII.