4. Morgengebed.
Wat strijd, wat stormen zie ik naken,
Door 't droomgezicht mij aangeduid!
Tenzij Gods eng'len mij bewaken,
Glijdt heden vast mijn voetstap uit.
'k Was, droomde ik, in een schip getreden;
Een storm verbergt mij lucht en land.
Een kille schrik bevangt mijn leden,
Die al mijn vroolijkheid verbant.
't Scheen of mij de afgrond wou verslinden.
De golven teist'ren tuig en mast.
Gejaagd, geslingerd door de winden,
Raakt eind'lijk 't ranke vaartuig vast.
Toen zat ik neder, droef verlaten,
Mijne angsten klagende aan de zee;
Maar klacht noch zuchten mochten baten.
De zee voelt niemands hartewee!
o Woeste golven, norsche buien,
Waarmede ik droomende overvoer,
Moet gij een zwaarder storm beduien?
'k Beveel het u, o God, die 't roer
Van mijn gemoed behouden sturen,
En voeren kunt ter veil'ge kust!
En of gij 't onweer lang liet duren,
Nog slaap ik in uw schoot gerust.
Mijn God, mijn Toevlucht, uw geboden
Zijn 't anker van mijn zekerheid.
De storm kan 't broze lichaam dooden,
Maar niet de ziel, tot u gevloden,
Die Gij uw heem'len binnenleidt.