5.
Gij kunt tot in uw grijsheid leven,
't Geheim van 't leven raadt gij niet.
Wat ook de wereld schijn' te geven,
't Is al misleiding, wat zij biedt.
Hoe meer haar gunsten op u reeg'nen,
Hoe meer gij, een bedrogen gast,
De stof vergaart, om 't uur te zeeg'nen,
Waarop gij aflegt 's levens last.