42.
Euphrosyné, o Levenslust!
Roep, als een frissche morgenwind,
Roep wakker wat gij sluim'rend vindt,
Ontgloei wat schier is uitgebluscht!
Waar gij de twijgen kust,
Weerklinken blijde koren,
Is alles als herboren,
o Levenslust!
Gij wijkt, waar booze hartstocht brandt,
Waar lage drift ontsteekt het bloed,
Daar alle onreinheid van gemoed
Uw goddelijken lach verbant.
Hij vraagt naar schat noch rust,
Op wien uw lonken vielen!
Blijf hart en geest bezielen,
o Levenslust!
Nemea IV.