8
Jong zijn is bedroefd te kunnen wezen,
Tranen zijn de dauw van de' uchtendstond!
Zalig wie de versche en zuiv're wond
Door haar zachten balsem voelt genezen.
Oud te worden is het stom verdriet
Aan 't verweesde hart te voelen knagen,
Dat niet meer de kracht heeft om te vragen,
Waarom 't leven zooveel raads'len biedt.