36.
Laat de hof der zanggodinnen
Niemand binnen,
Wien op eertijds donk're lokken zout en peper zijn gestrooid?
Ei, wat weert men grauwe haren?
Jonge jaren
Zouden dikwerf vurig danken, waar' hun kruin, nu gansch berooid,
Met wat vriend'lijk grauw getooid.
Olympia IV.