8.
Een zomernacht ontsluiert sterre aan sterre
Voor Abraham, in de'allerreinsten glans;
Straks een, in 't eerst nog zichtbaar slechts van verre;
Maar ras vorstin aan 's hemels hoogsten trans.
‘Gij, spreekt hij, zijt mijn God!’ Haar licht begint te kwijnen.
‘Ik kniel niet voor hetgeen bestemd is te verdwijnen.’
Nu steeg, met de' ernst, die slechts haar siert, naar boven
De maan. Hoe trekt haar zilv'ren schijnsel 't oog.
‘Mijn Godheid, gij!’ Zoo spreekt hij. 't Innigst loven
Welt uit zijn hart en bruischt tot haar omhoog.
Het licht der maan neemt af. Straks is haar schoon geweken.
‘Ik kniel niet voor hetgeen bestemd is te verbleeken.'
Nu rijst bij 't lied der zang'ren, in haar luister,
De morgenzon. De wolken vluchten heen,
En jagen voort het overwonnen duister. -
‘Gij zijt mijn God! want grooter is er geen!’
De zon schrijdt statig voort, maar de avond dooft haar stralen.
‘Ik kniel niet voor een God, wiens toekomst is te dalen.’
Nu hield hij op ster-, maan-, en zonlicht te eeren;
En sprak: ‘Voor Hem, die alles heeft gemaakt;
Wiens macht den mensch kan steunen en verneêren;
Wiens woord den boei ook van het niet-zijn slaakt;
Voor Hem laat ons in 't stof, mijn broed'ren! nederknielen,
Wiens onnaspeurb're geest het licht is onzer zielen!’