13.
Heldenkracht en dichtergaven;
Heerschen over taal en toon;
Lof der dapp'ren, prijs der braven;
Elke lauwerkrans en kroon:
't Edelst' kan mijn hart eerst laven,
Als gij 't aanziet, vrouw'lijk Schoon!
Waarde heeft het aan úw voeten;
Van úw oog, den vollen dag;
Macht, wanneer 't úw schepter groeten;
Klank, als 't ú verheffen mag!
Laat mij al mijn zielsdorst boeten
Aan de weelde van uw lach!
Pythia IX.