I.
Eer Hellas nog het juk des levens had te dragen, Door burgertwist verdeeld, door vreemden onderdrukt, Heeft, in het vol genot van blijder lentedagen, Haar dichterlijke jeugd een schoone droom verrukt; Een droom, door niets gestoord, vol wond're Godenbeelden, Het kroost der fantasie in de eerste, dart'le kracht: Gestalten, die op aarde als in den hemel speelden, Nu als uit Licht gevormd, dan als gedoopt in Nacht! Zij meldden de'indruk niet, door 'tdenkend brein ontvangen Van de in den band der Wet geknevelde Natuur, Maar wat het vroom gemoed, vol vreezen en verlangen, In 't leven der Natuur kon boeien: 't luchtazuur, In louter lichtgloed; 't kleed der onheilzwang're wolken, Door bliksemen verscheurd; den speelschen morgenwind;
Of de opgejaagde zee, van uit haar diepste kolken Verderf ontboeiend voor 't vermetel menschenkind; Het veld vol bloem en vrucht, Verdorring prijsgegeven; Straks rook-en vuurzuil, plots'ling stijgende uit den grond; Vergramde moederaard, die 't weelderigste leven, Eerst door haar zelf geteeld, in de open kaak verslond; Het vroolijk uit den slaap, den winterslaap ontwaken Der lente, met den lach der onschuld op 't gelaat; Het naad'ren van den storm, doormengd van dreigend kraken, Daar de ademtocht van 't woud al zwaar en zwaarder gaat; Den leeuw'rik, op wiens toon de blozende uchtend wachtte; Den dauw, die 't parelsnoer om bloem en beemde hangt; Den nachtegaal, in wiens van vreugd doortrilde klachte Een teed're menschenziel èn liefheeft èn verlangt: Dat alles vond de Griek in droomgestalten weder, Eer hem gewoonte nog 't gevoelen had verdoofd, Gestalten, als Natuur, bij beurte wreed en teeder, Maar aan den mensch verwant. Toen werd die droom geloofd, Toen uit dien droom den Griek een werk'lijkheid geboren: Het leven tintelde in de schepping van het Dicht. Het volk aanschouwde en bad, in 't diepst gevoel verloren, Op 't ongeziene 't oog, meer dan op de aard, gericht.
Cookies on Poetry Cove