Sang.
Stemme: ô kersnagt.
Dat soo de dagen henen glyen, Besiet men met een oog besyën, Wyl heden 't Jaar weer is getelt: De blonde Jeugt en d'oude leden Syn op den Paalsteen diep gesneden, En niemant die hem oversnelt.
't Geboorte-rad is steeds aan 't rollen: De blinde leven als de Mollen: De ziende sien haar Jaren vlug Vergaan, die nimmer wederkeeren; Een dwaas mag die nog eens begeeren; Dees wenschen niet een stip te rug.
Soo wy op ons geboorte pragchen, Hoe kan het syn met vrolyk lagchen? Daar wee, en ag de voortogt blaast: Is 't kintsche leven afgelopen, Om iets bestendigs op te koopen, Het vleesch en bloet daar tegens raast.
Een deugdenkrans, te zaam gevlogten Die weet van kreuken, nog van bogten, Droeg Galathé, gelyk een schilt, Van Jongs aan, op haar blonde hairen, Tot wy nu heeden haar verjaren, Waar op veel schigten zyn verspilt.
De schoonheit mag sig schoonheit noemen, 't Is voor een tyt, niet om te roemen: Hoewel een Eed'le Ziel, daar God Syn wellust en vermaak wil wekken, Te geven zulke ziels vertrekken, Moet dankbaar syn voor 't dubbelt lot.
't Sy Lighaams schoont, of Ziels genaden, God komt de eer van al syn daden: 't Sy hy ons maakt, of gruist tot stof: 't Beginsel van 't Ellendig leven, De voortgang, of de Web volweven, God trekt van al syn doen de lof.
De dag, dien wy nu heden vieren Wil God nog met veel Jaren sieren; Het geestlyk leven groei steeds aan: Het tydlyk wil hy ondersteunen, En Ziel en Lyf op hem doen leunen, Om namaals heerlyk op te staan.
Al zingende genaakte wy de wooning Van Galathé, met vloog ik over ent; Daar hebt gy Silvia de Nagtvertooning Soo ver ik weet, en my nog is bekent.
Cookies on Poetry Cove