Sang.
Wie set myn Voet,
Die hier verhuisen moet,
In een bestendig goed!
Geen Kroon of Schepter-Staf
Houdt my van boven af;
Als gy ô God uw blinkende Staffieren
Gebied, om laag myn Zegenkoets te vieren,
Om door myn reis
Te vliegen na 't Paleis.
Daar sal myn mont
Op een Asuren gront
U eeuwig maken kond;
De Werelt my veragt,
Maar 'k heb haar doen belacht:
Nu gy myn hooft met eeuwige Lauwrieren
Voor aller oog tot een Triomph sult sieren:
En haar tot spot,
My syn een Salig God.
Den Sang geëindigt, zie ik uit den hoogen
Een Wolk-gespan bedekken 't Opperkleed;
En als een Star verschietse voor myn oogen.
'k Onwaak van schrik en angst, een droppel sweet
Hangt aan elk Hair, en 't siddren van myn leden
Heeft in der haast myn Slaapsugt afgesneeden.
1702.