Tegen den Smakeloosen.
1.
Geeft hem Water in zijn gat,
Die geen Smaek in Wijn en heeft.
Wat verbruyder Beest is dat;
Die niet waert is, dat hy leeft’ Die niet waert is, &c.
2.
Onsmaklijke Smaekloos,
Is het Bakhuys nu vereelt?
Of is het verhemelt voos?
Dat veel Kuykens heeft geteelt’ Dat veel Kuykens heeft &c.
3.
'k Loof de darmen zijn te vol,
En despijs wil niet beneen;
Want hy Porcust hier als dol:
Misschien smaekt hem dat alleen’ Misschien smaekt hem &c.
4.
Soo je wilt na huys toe gaen;
Maekt dat u geen Varken hoort;
Of het ranst u daetlijk aen,
En vermaent u uw Geboort’ En vermaent u &c.