Tegen den Reukeloosen.
1.
Voor den Reukeloosen scheeten,
(Dat 's geen proef die vast moet gaen)
Laet den Aers dan open staen:
Want soo sal men daedlijk weten,
Als het Rookt, dat men schier kropt,
Of zijn Snuyver is verstopt.
2.
Is de Quijlgoot dan bedorven,
Is dat snotterig Riool
Dood, gelijk een doovekool,
Is 'et 't leven uytgestorven?
'k Weet noch een Remedie: wat?
Steektse in Elsjes warme Gat.