Morgen-Gedachten, Van een boetvaerdigen Sondaer.
't IS nu weer dagh, ick doe mijn oogen even open, Ick sie het helder licht; wend' ick mijn aensicht om, Ick sie de Son, geciert gelijck een Bryudegom, Na dat hy heeft alree de werelt omgeloopen. 2.Rijst op mijn ziel, rijst op, en denckt met overwegen, Hoe ghy tot Godes lof den dagh volbrengen sult; Hoe ghy u selven niet verloopt door nieuwe schult, En hoe ghy best het spoor houdt van Godts reyne wegen.
3.Godt heeft u opgeweckt met uw' gesonde leden, Danckt hem, en siet dat ghy dien zegen niet misbruyckt, Noch door begeerten, na des werelts grontsop duyckt, Maer denckt altoos ick hoor, ick hoor Godts stem op heden. 4.Ghy weet wie dat ghy zijt, en wie dat u gemaeckt heeft; Ghy weet hoe Godt u kroont met alderhande goet; Ghy weet oock hoe gerust hy is in sijn gemoedt, Die, eer hy buyten gaet, Gods Woorden eerst gesmaeckt heeft. 5.Nu staet ghy, maer bidt hem dat hy u soo wil leyden, Dat ghy niet van het hoogh raeckt tot een lage val: Het padt is moeyelijck, de wegh te byster smal, En eensaem, van de vreught en werelt afgescheyden. 6.Maer 't is een korten tijdt die men hier loopt, in 't ende Ontfangt de werelt straf, en ghy een heerlijck loon; Want die getrouw voleynd, ontfangt des Levens Kroon,
Die Godt schenckt aen die geen die recht sijn paden kenden. 7.Wat is doch 's werelts vreught daer veele sich toe wenden? Een weynigh lust voor 't vleesch, een beul voor het gemoedt; Een kom vol bitt're gal, bestroyt met weynig soet, En lieffelijck vergif, een voorboo van ellende. 8.Maer 's Hemels heyl waer na de weynigste wel trachten, Is weynigh lijdens, en een ongemeete vreught, Die niet in schijn, maer in der daedt het hert verheught, En het gemoedt bevrijdt van stormende gedachten. 9.'t Kruys, in 't begin te swaer, wert lichter op het leste; De ramp en tegenspoet valt oock soo bitter niet, Soo m' op de handen van dien trouwen Gever siet, Die alles, wat hy doet, uytwerckt tot onsen beste. 10.Rijst op, mijn ziel, rijst op, 't is lang genoegh geslapen, Ick sie den dagh volvoert soo ghy met Godt begint, Soo wel, dat men daer oock niets op te seggen vind;
Want een Godtvreesend hert behoeft geen schoot-vry wapen. 11.Ick vrees' niet hoe dat my de Duyvel komt vervaren, 'k Ga voort, en vlucht vast uyt het godd'loos Sodoma, En denck vast op mijn wegh, waer dat ick heenen ga: Die my 's nachts heeft bewaert, sal my 's daeghs wel bewaren.
EYNDE.
Cookies on Poetry Cove