Skip to content
1663

De psalmen Davids

Aernout Overbeke

Het Gebedt van Manasse, Koning van Juda. Op de wijse, van den 51 Psalm, na de tweede oude Compositie.

O Eeuwigh Godt, Almachtigh Heer, Godt onses Vaders Abraham,

Godt Isacs, Iacobs, en wat meer Uyt haer gerechten zade quam. Ghy die den Hemel en de aerdt, En al wat beyde in sich heeft Geschapen hebt, die saem vergaert De wat'ren, en haer Wetten geeft. 2.Ghy die verzegelt met uw' Woordt De zee, de diept', en duysternis, Ter eeren van uw naem, waer door 't Al wat men siet geschapen is: Vw naem, die alles leven doet, Soo vreess'lijck, en van sulcken kracht, Dat yder een verschricken moet, En vreesen voor uw' groote macht. 3.Geen die uw toorn verdragen kan, Waer mede ghy de Sondaers treft, En yder beeft en lilt daer van, Wanneer uw gramschap sich verheft; Maer weder uw' barmhertigheyt, Waer van ghy Heere zijt soo rijck, En die ghy ons hebt toegeseyt, Is groot, en onbegrijpelijck. 4.Ghy die in 't alderhooghste woont, Wijd boven Hemel, boven aerd, Die u soo Vaderlijck vertoont, Die uw genade nimmer spaert, Lanckmoedigh, goet, en vol gedult, En die niet gaern den mensch kastijdt, Maer die veel liever sond' en schult (Gelijck ghy hebt belooft) schelt quijt. 5.Wijl ghy dan zijt der Vroomen Godt,

Van Iacob, Isac, Abraham, Waer van een yder uw gebodt Getrouw, en op het naeuwst na quam, Soo heeft oock de vergiffenis Der sonden in haer minder plaets, Als wel in my, uw Knecht die is Een droeve Bron van soo veel quaets. 6.Ick heb misdaen, mijn sonden zijn Veel meerder als het sandt aen zee, In ysre banden, vol van pijn Ben ick gekromt; 'k heb nimmer vree In mijn geweten, dagh, noch nacht, Om dat ick hebb' uw toorn verweckt, En soo veel sonden voortgebracht, En 't land met grouwelen bedeckt. 7.Daerom buygh ick de kniën weer Mijns herten, en smeeck om gena, Ick heb gesondight, ja mijn Heer, Ick heb gesondight, Heere, ja; 'k Verbergh voor u mijn misdaedt niet, Ick bidd', o Heer, vergeeft het my, Vergeeft het my, o Heer, en siet Het droevigh hartseer dat ick ly. 8.Laet my niet smooren in mijn sond, Noch laet mijn straf niet eeuwigh zijn, Heer help my, of ick ga te grond, Help my onwaerden uyt de pyn Om uwe goetheyt: als dan sal Ick tot mijn doodt u roemen Heer. V prijst al 't Hemels Heyr, en al Wat leeft sal spreecken van uw' eer.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De psalmen Davids · Aernout Overbeke · Poetry Cove