Skip to content
1663

De psalmen Davids

Aernout Overbeke

De Lof-sang der H. Engelen, Heyligh, Heyligh, Heyligh is de Heere Zebaoth: Of Het Sanctus Duytsch. Jesaiae c. 6. v. 1, 2, 3, 4.

ICk sagh, spreeckt Iesaias, Amos Soon, Den Heer verheven sitten op sijn Troon, En hoe de luyster van sijn zoom en kleen Met Majesteyt den Tempel gansch doorscheen; 'k Sagh boven hem twee Seraphijnen staen, Ses vleugelen had yeder van haer aen, Twee hebben haer het aengesicht bedeckt, Twee over hare voeten sich gestreckt,

Twee waren om te vliegen overal, Sy riepen tegens een met groot geschal, Heyligh is Godt, de Heere Zebaoth! Heyligh is Godt, de Heere Zebaoth! Heyligh is Godt, de Heere Zebaoth! De aerd' is vol van d'eer van onse Godt! Haer stem bewoogh de dorpelen, als oock De posten, en den Tempel was vol roock.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De psalmen Davids · Aernout Overbeke · Poetry Cove