Skip to content
1663

De psalmen Davids

Aernout Overbeke

Op de wijse van den 9. 40. 49. en 119 Psalm, oude Compositie.

ALs Christus seker wist dat hy Haest soude sterven, was hy by Sijn Iongeren geseten, Met wie hy oock het Paesch-lam at, Hy sey, 'k heb groote lust gehad Om dit met u te eten, Het tegenwoordigh Paesche-feest Dat ick nu houw sal zijn geweest Het leste van mijn leven, Tot dat ick koom' met meerder macht, Wanneer het al sal zijn volbracht 't Geen van my is geschreven.

2.Een sit 'er met ons aen den disch In wiens hert dat de Satan is, Hy walgt van mijn genade, Wiens oogh op my alleen maer past, Die met my in de schotel tast Die sal my haest verraden:

Daer na soo nam en brack hy 't Broot (Een voorbeduyding van sijn doot) Dit wert voor u gegeven, Dit is mijn eygen lijf, seyt hy, Gebruyckt het, ende eet het vry, Het doet u eeuwigh leven.

3.Daer na soo nam hy oock den Kelck En danckt', en sprack, 'k wil dat van elck Dees Beker zy genooten, Dit is het Nieuw Verbont, 't welck moet Bezegelt werden met mijn Bloet, 't Welck voor u wert vergooten, Soo dickwils als ghy drinckt dees Wijn, Sal 't mijn gedachtenisse zijn; Ick sal niet meer na desen Met u genieten desen dranck, Noch proeven van den Wijngaert-ranck Tot ick verhooght sal wesen.

4.Wanneer Godt in Egyptenlant De Eerstgeboorte door sijn hant Voor desen heeft verslagen, En Pharao met al sijn macht In 't Roode Meer heeft omgebracht Vernielt met ros en wagen, Soo heeft hy 't Paeschlam ingeset Op dat sy souden door dees Wet Herroepen in gedachten Wat gunst de Heer haer had gedaen, Die haer Vervolgers dee vergaen Door felle water krachten.

5.Soo heeft oock Christus onsen Heer Verdroncken in het Roode Meer

Van sijne Heyl'ge Doope, Al onse schult, hy heeft de Doot En Duyvel van hun macht ontbloot, De Helpoort afgeloopen, Op dat sijn Kerck indachtigh zy Soo overgrooten gunst, laet hy Sich als een Paeschlam eeten In Broot sijn Lijf, sijn Bloet in Wijn Op dat wy daer door schuldigh zijn Hem nimmer te vergeeten.

6.Die waerdigh dan gebruyckt dit Broot, En dese Wijn, die sal de doodt Van onsen Heer verkonden, En wat hy al heeft uytgestaen Eer dat hy heeft genoegh gedaen Voor onse sware sonden; De Heer heeft sijn barmhertigheyt Om Christus wille toegeseyt Dien die dit sal gelooven, De dreygementen van sijn hant Sal hy weerhouden, en den brant Van sijnen toorn uytdooven.

7.De mensch moet sijn sich selfs bekent Eer hem dit Heyligh Sacrament Wert aen Godts Disch gegeven, Hy moet zijn suyver van gemoed, 't Welck blijckt, als hy met ware boet Wil beteren sijn leven; Soo dit een Christen niet en doet, Soo sal hy Christus Lijf en Bloet Niet nuttigen tot voordeel,

Want Paulus heeft ons klaer geseyt Wie gaet ter Tafel onbereyt Die eet en drinckt sich 't oordeel.

8.Daerom soo laet ons voor den Heer Op onse knyen vallen neer En bidden om genade, Op dat wy waerde Gasten zijn Wanneer wy met sijn Broodt en Wijn Ons swacke ziel verzaden; En als de maeltijdt is geschiet, Soo sterck ons Heere, dat wy niet Gaen op de oude wegen; En als de Duyvel na ons tracht, Ons wil bespringen met sijn macht, Soo sta sijns wapens tegen. 6. Gloria.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De psalmen Davids · Aernout Overbeke · Poetry Cove