Skip to content
1663

De psalmen Davids

Aernout Overbeke

Van de H. Sacramenten, of troostelijcke genade-teekenen, dat is, van den H. Doop, Sleutelen des Hemelrijcks en H. Avondmael. Op de wijsen van den 9. 40. 49. ende 119. (ouder comp.) Psalmen.

WAnneer de mensch geschapen was Heeft Godt hem 't lieffelijck gewas Der kennisse verboden, Hy sprack, is 't dat ghy daer van eet, Sult ghy u selfs door eene beet En al uw' Nazaet dooden: Maer siet de mensch die van all's Wou proeven, haeld' op sijnen hals Godts voorgedreyghden tooren; Sijn dwaesheyt heeft te weegh gebracht Dat al het menschelijck geslacht Moest eeuwigh zijn verlooren.

2.Hoe swaer de mensch sich had vertast Godts goetheyt liet hem niet in last, Sijn hert begon t'ontvoncken, Om al de menschen niet te doon Heeft Godt sijn Eengeboornen Soon Haer tot behoudt geschoncken, Die onse menscheyt aen sich nam, Die Godes Woort ons leeren quam; Sijn wercken en sijn reden Vermaenden ons tot ware boet, Hy sterft en stort voor ons sijn Bloet,

Hy heeft de doodt vertreden.

3.Geen mensch, hoe kloeck, hoe spits van geest, Hoe vlijtigh dat hy soeckt en leeft, Kan dit van selfs doorgronden; Geen troost noch hulp treckt hy hier uyt Dat Christus heeft na Godts besluyt Voldaen voor onse sonden: Daerom geboodt Godt in 't gemeen En wouw dat sich soud' yder een Met water laten doopen De erf-sond wert door dese vloet Gansch afgespoelt, het welck hem doet Op Godts genade hoopen.

4.Maer of 't quam dat wy naderhant Niet deden aen ons woort gestant, En vielen in gebreecken, En dat wy 't heyligh Doop-verbont, Met Godt gemaeckt, door onse sond Weer quamen te verbreecken, Soo gaf Godt aen de Leeraers macht, Dat hare stem, maer sijne kracht, Vergeven sou de sonden, Het welck hy duydelijck verklaert Wanneer hy seyt, 't geen ghy op Aerdt Ontbindt, sal zijn ontbonden.

5.Hy stelt oock in het Avondmael, Dat door ons menschen altemael Tot troost is opgeschreven, 't Gezegend Broot nam hy, en brack Het met sijn' handen, en hy sprack Dit wert voor u gegeven,

Dit is mijn Lichaem dat voor elck Gebroocken wert, hy nam den Kelck Daer na oock in sijn handen, Sprack, dit 's mijn Bloet, ick wil dat ghy Hier al uyt drinckt, het maeckt u vry Van Doot en Duyvels banden.

6.Daerom ghy menschen wie ghy zijt Weest danckbaer, en gedenckt altijt Aen dese Sacramenten, Die Godt tot uw' verlossing geeft, En wat hy meer geschoncken heeft Wilt dat in 't herte prenten: Want Godt begeert geen offerhant, Hy wil niet dat men roockt of brant Op sijn gewijd' Altaren, Een danckbaer hert kiest hy voor al; Wie dit aen hem betoont dien sal Godts goetheyt wedervaren. 6. Gloria.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De psalmen Davids · Aernout Overbeke · Poetry Cove