Skip to content
1663

De psalmen Davids

Aernout Overbeke

Een aendachtigh Gebedt-Liedt op Vast- en Bid-dagen, en in tijdt van Oorlog. Op de wijse, by den 1 Psalm aengewesen.

O Goede Godt dien 't eygen is Sich over ons 't ontfermen, Och suyvert ons besmet gewis, Omhelst ons met uw' ermen, Neemt ons weer in genaden aen, Ghy placht wel eer ons by te staen En trouw'lijck te beschermen. 2.Heb doch voor dese mael gedult In 't quaet van ons bedreven, Wy hebben ons in nieuwe schult Te reuckeloos begeven, Wy deden niet gelijck 't behoort, Wy leefden niet als ons uw' Woordt En Wet had voorgeschreven. 3.Wy loochenen ons sonden niet Waer toe voor u geloogen, Die nieren proeft, en 't hert doorsiet Met altijts wacker' oogen? Ga niet met ons in het gericht, Maer laet uw' vriend'lijck aengesicht Ons aensien met meedoogen. 4.Geen van uw' heylige Geboon Bleef van ons ongeschonden, Wy blaften tegens uwen Troon Met valsche Laster monden,

Wy pasten op gebit noch toom, Wy lagen in een diepe stroom Versoncken door de sonden. 5.Daerom soo treft ons oock den vloeck Van u gedreyght te vooren, Die ghy liet uyt uw heyligh Boeck Ons door uw' Dienaers hooren, Wy sien het door het gantsche landt Hoe dagelijcks door uwe handt Werdt plaegh op plaegh gebooren. 6.Maer geen van allen die ontkent Veel swaerder waerd te wesen, Daerom daer ghy de plagen send Send Heer oock het genesen, En wijl ghy onse Vader zijt Die met een sacht gemoed kastijt, Soo help ons als voor desen. 7.Wy moeten anders in het stof Door uwe handt geraken, Soo ghy niet door uw' gunst hier of Ons weder vry wilt maken; O Heer wilt u ter hulpe spoen, Want 't is vergeefs al 't geen wy doen Soo ghy niet selfs wilt waken. 8.Ghy zijt wel in een vast Verbondt Met Israël getreden, Doe Pharoos Leger ging te gront; Doe Zion wierd bestreden Stont ghy voor David in 't geweer, Ghy spoeyde met uw' hulp wanneer Hiskias heeft gebeden.

9.Maer doe sy by de vreemde Goon By Baal zijn geseten, En hebben 't Offerhandt der doon By Midian gegeten, Gaf Godt haer in des vyandts macht Die haer na Babel heeft gebracht Als Slaven aen een keten. 10.Maer Godt kreegh wederom berouw Wanneer sy tot hem schreyden, Hy dacht aen sijn Verbondt en Trouw De Koning liet haer scheyden, Soo dat sy vrolijck trocken heen Na Canaans verlate Steen, En Zions vette Weyden. 11.Wy volgen dan dit voorschrift na In dees benauwde dagen, Wy bidden uw handt om gena Die ons had eerst geslagen; O Heer laet uw bebloede Roe Van 't gees'len eenmael werden moe, En wijcken op ons klagen. 12.Godt Vader, die niet in den doodt Des Sondaers hebt gevallen, Verlost ons uyt dees sware noot, Siet hoe de Trotsche brallen, Kom roepen sy, Godt siet het niet, Hy weet niet wat op aerdt geschiet, Vernielen wy haer allen. 13.Godt Soon die voor ons hebt geleen Wilt ons nu niet verlaten, Dewijl wy werden hart bestreen

Van die uw' menscheyt haten, Ghy maeckte de Gevangens vry, Door uwe doodt verlichte ghy Die noch in 't duyster saten. 14.Godt Heyl'ge Geest versterckt ons hert Op dat wy moedigh strijden, En dat hy neergeslagen wert Die ons bracht in dit lijden, Toont dat ghy zijt een machtigh Godt, Maeckt onse Vyanden tot spot, Op dat wy ons verblijden. 15.Ghy Heylige Drievuldigheyt Een Godt in drie Persoonen, Als onse Ziel van 't Lichaem scheyt Wilt ons uw gunst betoonen, En voeren uw' verkoore Schaer Ten Hemel, om met u aldaer In eeuw'ge vreught te woonen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De psalmen Davids · Aernout Overbeke · Poetry Cove