Skip to content
1663

De psalmen Davids

Aernout Overbeke

Een Geestelijck Liedt, van den Strijdt des Geests en des Vleeschs.

WAt dat men ondersoeckt of leest, Men vint altoos hoe Vleesch en Geest Zijn tegens een gekant geweest, En hoe sy in dit leven Malkander wederstreven. 2.Het lichaem seyt, 'k hebb' lang respijt En uytstel eer de loome tijdt My door den ouderdom verslijt, Wat hoef ick dan te sorgen

Wat voor den dagh van morgen? 3.Volgt liever, seyt de ziel, mijn raedt En betert u eer 't is te laet, Op dat ghy Godts Gericht ontgaet, Gh' hebt in den Doop geswooren Na Godes stem te hooren. 4.Al wat ghy seght is my bewust, Maer tot geselschap streckt mijn lust Dien yver werdt noyt uytgeblust, Schoon ick tot aller stonden Ben by de vreught gevonden. 5.Maer denck eens aen den Rijcken Man, Doe 't wel ging wist hy nergens van, Nam leering noch vermaning an, Na 't brassen, speelen, drincken, Most hy ter Helle sincken. 6.De rijcke Vreck en raeckt my niet, 'k Heb tijdt eer dit aen my geschiet, 'k Sal eer de Doodt my nederschiet En ouderdom doet beven My wel tot Godt begeven. 7.Al zijt ghy jong ghy spreeckt te stout, Is dwaes die op sijn tijdt vertrouwt, Men sterft wel of men niet is oudt, Kunt ghy den tijdt bepalen Dat Godt u wech sal halen? 8.De werelt is mijn lust-prieel, 'k Ben jong of oudt dat 's even veel, Ick sie wel hoe het meestedeel Niets als den rijckdom achten, Daer wil ick oock na trachten.

9.Maer siet en tijdt eens te gemoedt Die ziel en lichaem scheyden doet, Wat helpt dan uw' verssamelt goedt? Ghy moet in 't graf verrotten, Ten proy van worm en motten. 10.Die reden treft en maeckt my bang, Al duurt mijn tijdt noch eens soo lang Ick neem tot Christus mijnen gang, Die wil uyt gunst my geven Een nieuw en oprecht leven. 11.Dewijl ghy soo bewogen wert, Soo offert Godt een ned'righ hert, Seght dat de sond u druckt en smert, Dat sal Godt wel behagen Wanneer ghy soo komt klagen. 12.Ontfermt u over my, o Heer! Dat Iesus sich niet van my keer, De Geest versterck my meer en meer, Op dat ik vroom mach strijden Terwijl ick hier moet lijden. 13.Godt lof hy is tot boet gebracht, Niet dat ick my schrijf toe dees macht, Maer Godt die aen mijn woordt gaf kracht, Hy wil my na dit leven De saligheyt oock geven. 14.Welgelucksaligh zijn die geen, Die als sy werden dus bestreen Het vleesch doen luysteren na reen, En dat de ziel de sinnen Des lichaems komt verwinnen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De psalmen Davids · Aernout Overbeke · Poetry Cove