Een Liedt, Voor een Krancke die aengevochten wordt. A. V. O.
OCh wat verdrucking perst mijn herte! Ick ben te byster in de klem, En soo benauwt, dat oock mijn stem Geen uytgang meer heeft, als met smerte. Gelijck men door een heeten oven Het mergh en kracht uyt kruyden treckt, Dat langsaem in de glasen leckt, Terwijl de Geesten gaen na boven: 2.Soo zijn mijn oogen oock de flesschen, En mijn gedachten zijn het kruyt,
De suchten vliegen boven uyt, Dat zijn de Geesten: wie kan lesschen Den oven die 'k in 't hert voel branden? Daer tranen-oly uyt komt vlien, Die 'k Godt met neergebogen knien, Opoffer, en gevouwen handen. 3.Toen u Maria quam begroeten, En met dien kostelijcken schat, Die schoonen Balsem die sy had, Quam balsemen uw heyl'ge voeten, Beweest ghy haer terstont genade: Al is 't geen Nardus die ick giet, Och, wilt daerom mijn Offer niet, Om dat het slechter is, versmaden. 4.Waer ick my keer of heenen wende, Ick sie geen eynd van 't ongeluck, Tot Leydtsman hebb' ick ramp en druck, En voor mijn Voetknecht volgt ellende; 't Lijf wert van sieckten door gereden, De swackheyt sit in al mijn leen, Noch harder wert de ziel bestreen, Soo van de sonden als de reden. 5.Ick voel my t'eenemael verwonnen, Mijn lichaem leyt van smert te bedt, Ick heb de doodt-verw reeds geset, En 't werck is noch maer pas begonnen: Wat pijnelijcker ongenuchten, Het stormt te veel op dese stee, Mijn ziel is tot verhuysen ree, En wouw de huys huur wel ontvluchten; 6.Die sy, na strengheyt van de rechten,
Aen u mijn Godt betalen moet, Maer Heer, ghy waert wel eertijdts goet, En scholt veel meer quijt aen uw knechten: Uw gunst moet immers eeuwigh duuren, En uw genaed' en heeft geen end, Wiens goetheyt geen verand'ring kent, Noch afslijt door getal van uren. 7.Heer help doch of ick moet versmooren, In dees' mijn bracke tranen-vloet, Mijn ingewand smelt in de gloet, Soo van mijn suchten als uw tooren, Als luyden die in waters noodt zijn, Soo stijf een ding vast houden, dat Haer handt heeft in het eerst gevat, Soo doe ick oock in dese doodt-pijn, 8.Heer Iesus ick omhels' uw voeten, Brengt my weer aen het vaste landt, En lescht den ysselijcken brandt, Of sal ick langer lijden moeten, Sult ghy my langer moeten leyden, Ick hebb' het beste aengetast, Ick sal 't oock houden, en soo vast Dat self de doodt ons niet sal scheyden.
Cookies on Poetry Cove