Skip to content
1663

De psalmen Davids

Aernout Overbeke

Een schoon Gebedt-Liedt, Om Godts bystant, hulp, recht gebruyck des werelts, verduldigheyt, en een saligh eynd.

MYn hert, o Godt, bemint u seer, Vlucht nu niet van uw dienaer Heer, Dewijl ick ben beladen, De werelt is my maer verdriet, Haer pracht is van my min als niet Geacht by uw genade: Of my het herte brack aen twee En ziel van lichaem scheyden dee, Soo zijt ghy die my bystant doet, Ghy die my loste door uw bloedt, Heer Iesu Christ, mijn Godt en Heer, Mijn Godt en Heer,

Verlaet my nu noch nimmermeer. 2.Vw groote goetheyt heeft alleen Aen my gegeven vleesch en been, Een ziel begaeft met reden, Geeft dat ick dit mach altesaem Tot lof van uw gevreesden naem En 's Naestens nut besteden, Behoed mijn hert voor kettery En drijft den boosen geest van my Staet my in alle droefheyt by Op dat ick 't Kruys geduldigh ly; Heer Iesu Christ, neemt my doch waer, Neemt my doch waer, Wanneer ick legg' in doodts gevaer. 3.Maer nu verwonnen van de Doodt, Soo laet mijn ziel in Abrams schoot Van uwe Eng'len dragen, En laet het lichaem in der aerdt Berusten, daer het wert bewaert Tot op den jongsten dage, Verweck het dan ter saligheyt, Op dat ick sie uw Majesteyt Van aengesicht tot aengesicht, En eeuwigh blijf by 't eeuwigh licht, Heer Iesu Christ, geef my gehoor, Geef my gehoor, En leen mijn stem een gunstigh oor.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De psalmen Davids · Aernout Overbeke · Poetry Cove