Op de wijse: Behout ons Heere by uw Woort. Of: Nu maeckt ons heyligh, Heere groot.
SOo waerlijck als ik leef, 'k begeer Des Sondaers doot niet, seyt de Heer, Maer dat hy door oprecht berouw Het leven eeuwighlijck behouw.
2.Godt send sijn Iongeren, en seyt Leert yder, sonder onderscheyt,
Dat Godt haer schuldt heeft uytgedaen, Wanneer sy van het quaet afstaen.
3.Dien ghy de sond' vergeven sult Zy quyt gescholden van sijn schult, En aen de and're kant, die ghy Niet vry scheld, scheld ick oock niet vry.
4.Het geen ghy op der aerden doet Werdt oock van my gekeurt voor goet, Ick geef uw' all', en ygelijck, De Sleutelen van 't Hemelrijck.
5.Al die gelooft aen uwe reen, Dat ick heb voor sijn sond, geleen, En sijn bedreven quaet beschreyt Werdt van my in Godts Rijck geleyt.
6.Die dan met een verdruckt gemoedt En nedrigh hert valt Godt te voet, Werdt weder tot Gods Rijck bequaem, Door 's Leeraers stem, in Christus naem.
7.Al was sijn sond als sandt aen Zee, En root als bloet, soo sal de snee, Waer voor het alles achter leyt, Noch wijcken voor sijn suyverheyt.
8.Want hoe de sonde grooter is Hoe grooter de vergiffenis, Hoe swaerder dat de misdaedt treft Hoe meer sich Godts gena verheft.
9.Hier is geen twijffel aen te slaen, Want soo sich yemant vindt belaen, En wil dat hem vergeven werdt. Moet vry zijn van een twijflend hert.
10.Daerom wie dat sich vindt te swack
Te dragen 't lastigh sonden pack, Die maeck' sijn hartseer en ellend' Aen Godes Dienaer stracks bekent.
11.Die sal u' troosten met Godts Woordt, En wijsen u den wegh, om voort Te leven vroom na Godts verbondt, En nauw te wachten voor de sondt. 3. Gloria.
Cookies on Poetry Cove