Skip to content
1663

De psalmen Davids

Aernout Overbeke

Een Gebedt-Liedt, Om een saligh eynd. Op de wijse, van en by den 1 Psalm aengewesen.

HEer als de tijdt komt dat ghy my Sult tot mijn volck vergaren, Soo blijf my Iesus trouw'lijck by, Als ick dan heen sal varen Beveel ick in mijn leste noot Mijn ziel Heer Christ in uwen schoot, Ghy sultse wel bewaren. 2.Mijn sonden, veel als 't sant aen zee, Die sullen my verklagen, Mijn quaet geweten sal dan mee Beginnen my te knagen, Maer Heer ick steun op uwe doodt, Die sal my stercken in de noodt, En lossen uyt dees plagen. 3.Ick ben een ribbe van uw lijf,

Een lidt van uwe leden, Hoe 't gaet ick houwme sterck en stijf Aen uw' barmhertigheden, Al sterf ick 'k blijf uw eygen, ghy Hebt door uw' bitt're doodt voor my De eeuw'ge doodt vertreden. 4.Vw' Opstaen en uw' Hemelvaert Zijn mijne Borgh in desen, Dat het na 't scheyden van dees aerdt Oock soo met my sal wesen, Want waer ghy my zijt voorgetreen Volg ick u na, soo vaer ick heen En scheyde sonder vreesen. 5.Want Iesus staet nu al bereyt En wacht my met verlangen, Om mijne ziel de saligheyt Met vreught te doen ontfangen; Alwaer hem prijsen allegaer De Heyl'gen en der Eng'len schaer, Met nieuwe Lofgesangen. 6.Elias geeft getuygenis, Wanneer hy door een wagen Met vyer'ge paerden levend is Ten Hemel opgedragen, En namaels weer in 's Hemels Troon Verscheen op aerdt aen Godes Soon, Dat het sijn Iong'ren sagen. 7.Dit troost ons in de leste noodt, En is een seker teeken, Dat wy wanneer wy door de doodt Zijn van dees aerdt geweken,

Oock sullen komen aen dien oordt, Alwaer Elias wierd gehoort Met Christus samen spreecken. 8.Wat heeft de dwase werelt dan Waer na mijn ziel souw haken? Mijn hert dat schrickt en walcht 'er van De Doodt kan my vermaken, Nadien mijn uytgedrooghde borst Ontsteken is met vyer'ge dorst Om Godts Fonteyn te smaken. 9.'k Heb 's werelts volck gesien, hoe dat Het sijn harts-tochten bluste In godd'loosheyt, en nam al wat Haer toomeloosheyt luste, Maer werelt blijf verhart in 't quaet, En laet my nu ick u verlaet, Op dat ick vrolijck ruste. 10.Godt sal in sijnen toorn opstaen Om sich van u te wreken, Sijn arm sal u ter nederslaen, Sijn oor is doof voor 't smeken, Het swanger onweer dat u dreyght, Sackt al beneden, en het neyght Sich om van een te breken. 11.Godt lof dat ick na mijn gebeen In tijdts werd' wegh genomen, Op dat ick niet des swarigheen Sie 't aertrijck overkomen, O Iesus maeck mijn doodt-strijdt kort, Op dat mijn ziel gedragen wordt Ter woonplaets van de Vromen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De psalmen Davids · Aernout Overbeke · Poetry Cove