Een schoon troostelijck Liedt tegens de onnutte Huys- en Buyck-sorgh.
MYn Hert waerom soo seer beknelt? Wat is'er dat u soo ontstelt, Dat ghy vol sorgen leeft? Is 't om het Wereltsch goed, Godt geeft En neemt, na dat men 't noodigh heeft. 2.Sijn alsiend' Oogh siet uwe noot, Geen ding is voor sijn hulp te groot, 't Staet alles in sijn macht, Want hy is Godt, die noyt de klacht Eens armen Sondaers heeft veracht. 3.O Godt ick tree dan tot uw' Troon, Siet niet op my, maer op uw' Soon, Die voor my heeft voldaen, Laet my geduldigh Heer uytstaen De last waer med' ick ben belaen. 4.Een Rijckert steunt meest op sijn Gelt, Maer mijn hoop is op Godt gestelt, Al werd' ick hier bespot, Ick acht het niet, dewijl dat Godt Mijn Helper is, mijn Borght, en Slot. 5.Wie spijsd' Elias afgemat,
Doe 't soo lang niet geregent had, In sulcken hongers noot? Een Weduw' gaf hem dranck en broot Van 't weynigh dat haer overschoot. 6.Wanneer hy vluchtigh moste zijn, En in de droevige Woestijn Sich ley met smerten neer, Wie sterckte sijne lenden weer Met spijs? Een Engel van den Heer. 7.Doe Daniel der Leeuwen Muyl Wierd voorgeworpen in een kuyl, Hoe seer hy was belaen Soo liet de Heer hem niet vergaen, Maer spijs door Habakuk ontfaen. 8.Godt heeft om Ioseph oock gedacht, Doe hy gevangen wierd gebracht Vreemt in Egyptenlandt, Godt maeckte dat door sijne handt Sijn Vaders Huys haer nootdruft vand. 9.De Mannen in des Ovens gloet Heeft Godt door sijne handt behoedt Door dien een Engel quam Die in het heetste van de vlam Het barnend' vuur sijn kracht benam. 10.Ghy Heer zijt heden noch soo rijck Als ghy geweest zijt eeuwighlijck, Vw' arm is niet verkort, Waer door het alles levend' wort Als ghy uw zegen neder stort. 11.Des werelts eer en acht ick niet, Maeckt dat ick 's Hemels eer geniet,
Die my wierd toebereyt, Wanneer u Soon wierd uytgeleyt Ter doodt voor onse saligheyt. 12.Al wat men in dees werelt vint Vergaet veel lichter als de wint, 't Zy Silver, Gout, of Gelt, 't Is dat den mensch het meeste quelt, En na sijn doodt doch niet verselt. 13.Ick danck u Iesu Christ, dat ghy Door uw' troostrijcke woorden my Hebt sulcks geopenbaert, Geeft my stantvastigheyt op aerdt, Tot dat mijn ziel ten Hemel vaert. 14.Lof eer en danck zy Godt geseyt Voor sijne goedertierentheyt, Hy wil om Christus doodt My stercken in de leste noot, Op dat ick vaer in Abrams schoot.
Cookies on Poetry Cove