Skip to content
1663

De psalmen Davids

Aernout Overbeke

Een ander Danck-Liedt na den Eten.

SIngen wy van 's herten gront, Loven Godt met onsen mondt, Hoe hy ons sijn gunst bewijst, Hoe hy dagelijcks ons spijst,

Hoe sijn sorgh altoos staet ree Om ons spijs te deelen mee, Als de Vogels en het Vee. 2.Wy voldoen ons plicht noch niet Met al 't geen van ons geschiet, Buygen wy ons voor hem neer Hy is onsen Opperheer, Die den mensch van vleesch en been Gunstigh heeft geset by een, Dat hy 't Aerdtrijck kan betreen. 3.Die den mensch soo ras hy leeft Soo milt spijs' en kleeding geeft, In sijns Moeders lichaem self, In dat duystere gewelf Wert hy langen tijdt behoedt, Wel gekoestert en gevoed En krijght spijs in overvloet. 4.'t Aerdtrijck heeft de Heer gebouwt, En voorsien van onderhoudt, Hy bevochtight Bergh en Dal, Dat daer gras op groeyen sal, Fijn en voedsaem Kooren geeft 't Aerdtrijck, soo dat al wat leeft Van den Heer sijn voedsel heeft. 5.Alderhande vrucht en kruyt

En wat uyt het landt meer spruyt, Vogel-eyers, daer in 't pit 't Kleyne Iong verholen sit, Wiltbraet, pluym-gediert, en visch, Draeght men op des menschen disch, Daer 't al voor geschapen is. 6.Daerom laet ons zijn bereyt Godt te brengen danckbaerheyt, Wijl hy geeft soo ruyme stof, Om te singen van sijn lof; Hy wil uyt gena voortaen Sijnen wil ons doe verstaen, Om daer nimmer af te gaen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De psalmen Davids · Aernout Overbeke · Poetry Cove