Skip to content
1657

Het duyfken in de steen-rotse

Adriaen Poirters

Historie. HEt waer te wenschen ô Siel dat wy altemael soo suyver wisten te hovenieren datter niet als bloemen van deuchden in onsen hof en wierden gevonden, maer 't is te vreesen datter hier en daer al veel onkruyt, en een groot verwilderinge sal onder loopen. Wel is waer dat wy 'tvoor d'oogen der menschen wel sullen konnen schoon maecken, maer wat raet voor d'ooghen van Godt almachtich, die het altemael met een scherper goutghewicht sal overweghen, en t'ghene dat de menschen voor goet, en ganckbaer geoordeelt sullen hebben, dat sal hy biljoen verklaren? wie en sou niet gemeent hebben dat het wel gedaen was dat Oza de Arcke des Testaments wilden ondersteunen met sijn handen, als sy in perijckel was van te vallen? Den Heere nochtans heeft dat met een vreemde doodt gecastijdt, en als een misdaet begaen by desen Priester. En als David wilde tellen, en doen monsteren sijn volck, en

alle weerbare mannen, wie en sou dat stuck niet voor een voorsichtigheyt op-ghenomen hebben? Godt heefter boosheydt in ghevonden, en dat ghestraft met een furieuse peste. Siet hoe de oordeelen Godts verschillen van de oordeelen der menschen. Het welck ghelijckt in dese twee gheschiedenisse oogh-schijnlijck is blijckende vander menschen conscientien dapper plaets sal grijpen. Hier van ô Siel wil ick u een bewijs doen uyt Dionysius Carthusianus een gheleert en heylich man van leven, wijt beroemt in de H. Kercke door sijn vermaerde boecken. Het welck ick dies te liever doe, om dat ick de gheschiedenisse ghelesen heb in de boecken met sijn eygen handt beschreven, die noch bewaert worden, en om dat ick de sepulture gesien hebben vanden persoon vanden welcken ick dit naervolgende gae beschrijven. Ten tijden dat Dionysius leefde soo wasser een treffelijck, ende deuchdelijck man ghenaemt Magister Joannes Lovaniensis! Hy leefden in alle soberheyt, suyverheydt, Godtvruchtigheyt,P. Fisen. 12. Mart. rechtveerdicheyt, seer toegedaen 't gemene beste, oock tot nadeel van sijn eygen selven. Edoch alle dese goede conditien scheenen eenen weenigh verdonckert te wor-

den overmits hy veel, en verscheyde kerckelijcken Beneficien was besittende, welcker inkomste nochtans hy niet onnuttelijck en verquistede, maer gebruyckte de selfste mildelijck in verscheyde heerlijcke wercken, die hy oordeelden dat tot de vermeerderinge van Godts glorie merckelijck souwen stercken. Ende in deser voegen heeft hy binnen Ruremundt op sijn eyghen kosten doen stichten het Clooster vande Canoninken Regulieren, ende dat beset met eerlijcke inkomste. Binnen Ceulen, en Deventer heeft hy van gelijcken Collegien doen bouwen voor de Fratrenses tot groot gerief vande studenten. Ende niet tegen-staende soo treffelijckheydt van leven, en oock uytnementheyt van aelmossen, soo hevet noch al scherp gestaen, dat hy het eeuwich vier is ontkomen. Altijdt dat is seecker: dat hy naer sijn doodt noch veel jaren onderstaen heeft in het vagevier groote tormenten. Want als sijn jaer-getije gehouden wierden, (dat hy inde kercke vande Eerweirdighe Paters Carthuysers tot Ruremundt beset hadde, daer hy light begraven) soo hebben sich droeve teeckenen veropenbaert. Want op den dach van sijn eerste jaer-getije als den dienst nu soo verre door de Religieusen ghebrocht was dan van hun ghesonghen wierdt den lof-

sanck van Zacharias: Benedictus; soo sach den weerdighen Dionysius op sijn graf een baer van vier en van vlammen, maer die vol donckeren roock, en solferachtighen stanck waren. Dionysius dit ghesien hebbende, is met een groote droefheydt bevangen geweest, en met groote vreese niet wetende of dit gheen teeckenen en waeren van sijn eeuwighe verdoemenisse, het welck hy daerom meer ter herten nam, om dat dese Magister Ioannes in sijn leven eenen spieghel was gheweest van deuchden. Siet ô Siel hoe de oordeelen Godts verschillen van de oordeelen der menschen! Het jaer naestvolgende op den selven tijdt in den selven dienst heeft Dionysius het selfste wederom ghesien, met dit verschil nochtans dat de vlam soo straf niet en scheen, en was veel claerder als te vooren. Op het derde jaer-gety is Dionysius op-getrocken in eenen ontgeestinge, in de welcke gesien hebbende de verborgen oordeelen Godts, heeft aen de selfste met alle vernederinge, ende ootmoedicheydt sijn verstant onderworpen. Wat hem doen verthoont is gheweest, en heeft hy, ghelijck hy wijs was, en voorsichtich, noyt levenden mensch te kennen gegeven. Alleen 't ghene hem docht oirbaerlijck te wesen tot verkoelinghe van dese Siele, heeft hy op het spoe-

dichste besorcht, ende brieven geschreven aen den genen die hy Executeur van sijn testament gestelt hadde, den selfsten scherpelijck vermanende om sijnen bekenden vriendt met alle vlijt behulpsaem te wesen. Ist mogelijck ô Siel dat sulck eenen weerdighen man soo onverwachten schaduwen achter sich heeft geworpen. Maer die Son, die Son van rechtveerdigheydt die gaet dieper met hare stralen, als wel de menschelijcke oogen. Ick vrees dat het niet dan al te waer is t'gene den H. Gregorius seght: Saepe sordet in districtione Iudicis quod fulget in aestimatione operantis. Ten is niet al gout van binnen datter blinckt van buyten. Dat desen is ergens aen vast geweest, dat is seker; waer aen dat hy is vast geweest dat is onseker. En dit heeft alle sorghvuldige menschen met een salighe vreese bevanghen, onder de welcke ghy een vande principaelste sijt geweest. O Alder-heylichsten Vader Innocenti den Derden. Was dit de reden oock niet dat ghy in u wapen voerde een scherp-steeckende doorne kroon met u hert daer binnen ghestelt? tot bediedenisse dat u het overdencken alleen van die leste, strenge, en scherpe rekeninghe het hert vervulde van alle kanten met bangicheden. Ghy wist niet dan al te wel

datmen wel staten kan geven maer geen heylicheyt, en dat die het meeste ontfangen heeft, dat die de scherpste rekeninge oock heeft te verwachten. Nu hebben wy noch tijdt van genade, nu konnen wy onsen boeck, en onse rekeningen noch effen stellen, nu konnen wy noch met eenen Ego te absolvo een kruys door onse schulden krijgen, soo wy met een grondthertigh leetwesen die belijden. Hier achterhalen wy ô Siel soo my dunckt den blood-hertigen Petrus die wederom sou te gronde gegaen zijn, ten waer den bermhertigen Iesus hem had de handt, of om beter te seggen, de oogen had gegeven. Hy volght sijnen Meester van achteren en van verre die nochtans te vooren sich dapper over sijne getrouwicheyt ende klockmoedicheyt geroemt hadde. Een van die oude Princen der Medicijnen heeft geseyt vande kinderkens: Qui cito sari incipiunt tardius progrediuntur. Kinders die vroegh zijn in 't spreken, zijn in 't gaen so veel te trager. En 't is in Petro metter daet soo bevonden. O Siel Petrus is traegh geweest in het volghen, en spoedich in het loochenen. Edoch die maer eens gesondicht hadde heeft geweent sijn geheel leven; veel sondigen hun heel leven, en weten van niet eens te weenen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het duyfken in de steen-rotse · Adriaen Poirters · Poetry Cove