Skip to content
1657

Het duyfken in de steen-rotse

Adriaen Poirters

Historie. DIt soo wesende ô Siel, en vraeght niet meer met Isaias, Waerom is u kleet root ghelijck die de wijn-persse hebben ghetreden! Maer vraeght eens aen u hert waer door het gebeurt datmen dese afgrijsselijcke Geesselinge soo weenich vint in u gedachten, ende vruchten daer van noch weeniger in u manieren. Tot onser beschaemtheyt moet ick hier invoegen eene gheschiedenisse ghetrocken uyt het leven van P. Ludovicus Granatensis een perle van de Croon vanden H. Dominicus, Twee Ionghmans waren daer die het bloeysel van hun eerste jaren, dat in deucht, en eerbaerheytP. Lyraeus had moeten op-schieten, teenemael

[o]nder de voet hebben getreden, ende over[m]its de luy, en weeldighe daghen yemant [al]s met der handt leyden tot ontucht, en vuy[li]cheydt, besonderlijck de Ionckheyt, die d'oo[gh]en verbonden heeft, ende naer gesonden, en [p]rofijtelijcken raet weenich plach te luyste[r]en, soo ist gebeurt dat dese twee teenemael [v]ande rechte baen zijn af-gedoolt, en sich da[g]helijckx schandelijck verliepen. En fin het [w]aren ghesellen die van grof meel waren ghe[b]acken. 't Gebeurden dat sy sekeren nacht bestemt [h]adden om naer een huys te gaen daermen het [li]chaem verkoopt aen den mensch, en de siel [a]en den duyvel. Dit huys was soo gheleghen [d]at sy neffens het Convent vande Predick-hee[r]en moesten passeren, soo sy in duysterheyt [a]enquamen, wesende teghen over de cellen [d]ie aen de straet stonden, worden sy gewaer [sl]aghen en gherucht van eenen die sich dap[p]er disciplineerden: sy bleven staen, en luyster[d]en naer het geluyt, ende gewelt der slagen, [e]n midden in dien dobbelen nacht van duy[s]terheyt, en boosheyt; rijster een ginster in hun [g]emoet, over-peysen hunne ramp-salige aen[sl]agen, maken op staende voet een vast op-set [v]an het voorgemelde huys, en hunne gewoon[t]e van sondigen inder eeuwicheyt te verlaten.

Ia sy geven malkanderen de hant van 's anderendaechs alle bey naer dien Pater te gaen talen, om aen sijn voeten een rouw-hertige bichte van alle hunne sonden te spreken; en om in den persoon niet te missen, soo hebben sy een teecken op het venster gemaeckt, dat hun 's anderen daechs op den rechten wegh sou brengen. Sy hebben hun woort gehouden, en zijn smorgens alle bey verschenen, ende door dit teken aen het venster hebben sy vanden poortier verstaen dat het was geweest den Eerw. P. Ludovicus Granatensis, den welcken ontboden zijnde, hebben sy hem hunne sonden, en alles bekent, hoe dat ten nacht te vooren het grouwelijck disciplineren hun opt hert was geslagen, dat sy wilden penitentie gaen doen, ende niet alleen tranen, maer oock bloet gaen storten voor hunne sonden. O Siel wat krachten en behoort op ons gemoet dan niet te hebben de onghenaedighe geesselinge die Christus Iesus voor ons uytgestaen heeft. Och waren wy in onse meditatie met sulcke gevoelen, als de Heyligen, en Vrinden Godts plachten te wesen, die wierden beweeght, die smolten in tranen, die bestonden van verbaestheyt. Ende ghy ô weirdige Anna de Iesu ghetrouwe Mede-ghesellinne vande Seraphinse Moeder Theresa

ghy kont hier van een getuygenisse gheven. Seght my eens, hoe was u hert gestelt als ghy inden vastenavont-dagen ten danse geleydt wierde? ende by geval u oogen op sloeght, ende den gegeesselden, ende door-wonden Iesus voor u saeght staen, hoe diep snee u inde siel sijn vriendelijck verwijt, dat ghy sijn smerten met uwe ydelheydt soo ongetrouwelijck waert beloonende? is u gemoet daer door soo niet beroert geweest dat ghy seyde: Mijne siel is gesmolten als my den Beminden heeft gesproken? voorwaer jaet, want doen zijn u af-gedropen die perlen, pendanten, juweelen, en al wat de ydelheydt u kostelijcks aen het lichaem hadde gehangen, en met dat danssen zijt ghy de werelt ontsprongen, en de ydelheyt ontloopen, ende u begevende tot een geestelijk leven, hebt den gegeesselden Salichmaeker die ghy eenen dacht hadt in uwe oogen, naderhant alle dagen gehadt in uwe gepeysen. En hoe behoort dat oock in u te werckenBar.1.c. 3. ô Siel? roept ghy niet dickwils met Barnardus? Hoe groot moeten zijn onse wonden, daer den Heere Iesus soo deirlijck om heeft moeten ghewont worden! Siet eens hoe waerachtich hier past de maxime uyt den Rechte: Non intelligitur nigrum nisi legatur rubrum, (Sy verstaent van het capittel dat met swerte letteren, en den

titel met roode letteren ghedruckt is.) Want de leelijckheyt, de boosheyt, de afgrijselijckheyt onser sonden en konnen wy noyt beter achterhalen, als overwegende dese vreeselijcke geesselinge, overdenckende sijne grouwelijcke pijnen, mediterende sijne meenichvuldige wonden, siende dat dierbaer Bloet soo overvloedelijck voor ons vergoten, dien rooden titel is het kort begrijp van het swert capittel; en in sijn wonden lesen wy onse sonden. Leert ô Siel, leert dit capittel lesen, en oeffent u in dese teghen-eenstellinghe, luystert eens wat dit dierbaer Bloet teghen uwen pracht tegen uwe giericheyt, tegen uwen overdaet tegen uwe sinnelijckheyt, teghen u boosheyt, en sondich hert, tegen uwe traechey[t] is roepende. Sekeren yverigen Dienaer Godt[s]Loyex de labore. om sijn twee koele medegesellen een vlamme viers van Goddelijcke liefde op het hert t[e] leggen, sey dat hy dagelijckx op dry lettere[n] studeerden en het waren dry. P.P.P. beteeckenende Passio Peccatum, Praemium, of Poena. De Passie, de Sonde, den Loon, of Straffe. O Siel de twee eerste wel oversien, en wel doorgron[t] konnen een geleert man maecken, want sy zijn het cort begrijp van veel groote boecken.

Maer ô alderbedrucktste Maget, hoe is u droeve siel met lijden overgoten? Wat smerten en ghevoelt ghy niet in dese onghenadelijcke geesselinge? ist daerom misschiencap. 8. dat den Beminden tot u seght. Dabo tibi mustum malorum granatorum meorum. Dat is: Ick sal u geven most van mijn granaet appelen. Den most, en het bloet of bloedighe pijnen van mijne Martelaren sal ick u laten proeven, en ick sal u als een Martelerse in de siel doen lijden, als ghy mijne straffe, en ongrondeerlijcke geesselinge sult overpeysen. Dit soo wesende ô droeve Maeghet soo bid ick met den H. Bonaventura. Om uwe suchten, tranen die u overliepen als ghy uwen gebenedijden Soon soo ongenadelijck saeght geesselen, verwerft ons een gronthertighe droefheydt over onse sonde, ende tranen van een salich leetwesen; bidt voor ons op dat onse vyanden ons met gheen slagen van bekooringe aen en vallen, maer dat wy liever ons eygen selven beschuldigen, en met disciplinen van een oprecht berouw kastijden.

Nu komen wy tot de alderpijnlijckste ende versmaedelijckste Crooninge des Heeren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het duyfken in de steen-rotse · Adriaen Poirters · Poetry Cove