Avond-zang. Terwyl de nacht met bruine vlerken De waereld dekt, en alle werken, Van uw hand geteeld, Het oog ontsteelt, Heft zich myn gemoed, Heer, myn hoogste goed, Heft zich myn gemoed naar boven, Om u te bidden, en te looven.
Gy hebt my noch dit brosse leven Gerekt, en deezen dag gegeeven. Nu leg ik my te rust, Maar onbewust,
Of het morgenlicht Noch eens myn gezicht Met zyn' luister zal bestraalen, Dan of hier 's levens zon moet daalen.
Dat staat alleen aan uw behaagen. In uwe hand zyn onze dagen. Des rust ik zacht en stil In uwe wil, Die den ryksstaf heeft Over al dat leeft, En aan elk zyn' vaste wetten Van leven en van dood moet zetten.
Uw' gunst, die nu zo veele jaaren Uw' dienaar wilde in 't leven spaaren, En kroonde in overvloed Met heil en goed, Zy alom verbreid, Eeuwig lof gezeid; Zy met dankbaar hert en tonge Onsterfelyke roem gezongen.
Ik weet, ô Heer, en moet belyden, Dat myn gemoed niet t' allen tyden Naar eis uw goed bedacht, Noch heeft betracht; Dat myn' doffe ziel Vaak in zonden viel, En, van 't heilig spoor gegleeden, Uw' wil en wet heeft overtreeden.
Zelf deeze dag, dien gy liet lichten, Draagt tuige van 't verzuim der pligten.
Dat slaat myn treurig hert Met diepe smert. Ach! dat uw' genaê Kom' myn' ziel te staê! Ach! laat uw' genaê de vlekken Van myne feilen toch bedekken!
Kan 't uw' rechtvaardigheid gehengen, Wil myne dagen noch verlengen, Op dat met meerder vlyt Myn levenstyd Werde naar het licht Van uw' wet gericht, 't Hert besteede all' zyne krachten In uw' bevelen te betrachten.
Terwyl we ons dan ter ruste schikken, Om 't matte lichaam te verkwikken, Ons leggen buiten macht By naaren nacht, Laat uw Godlyk oog, Dat zich nooit bewoog, Nimmer sluimerde, ons bewaaken, Dat geene rampen ons genaaken.
Uw' sterke hand wil ons bewaaren Voor alle lyfs- en ziels- gevaaren, Voor al wat kwetst en steekt, Of rust verbreekt. Roep van brand of moord Werde niet gehoord. Wil met kracht het woên betoomen Van fellen wind, en holle stroomen.
Bedek ons zo met uwe vleug'len Wil Satans list en macht beteug'len, Die in de donkerheid Zyn' laagen leit, En vol snood verraad Om ons heenen gaat, Helse netten weet te hangen, Om looselyk de ziel te vangen.
Laat dus op morgen ons ontwaaken, Om ons vol iver op te maaken Tot vroolyk maatgeklank, Uw' Naam ten dank, Om met scherpe wacht, Op uw' wil bedacht, Om met onverwrikte schreeden Des levens heirbaan te betreeden.
Tot dat we in 't ryk, dat geene nachten, Geen' duisternissen heeft te wachten, In ongestoorde rust, Vol hertenlust, By 't oneindig licht, Dat van uw gezicht Straalt door 's hemels ruime zaalen, Van eeuw tot eeuwe zegepraalen.
Cookies on Poetry Cove