Skip to content
1758

Vervolg der leerzaame zinnebeelden

Adriaan Spinniker

II. Avond-zang. Terwyl de dag in 't westen daalt, De zon beneên de kimmen Haar glanzig hoofd weêr onder haalt, En maan en sterren klimmen,

Daar alles noodigt mens en vee Te rusten op hun legeersteê, Betaamt het ons te vooren De stem met lofzang en gebeên Te zenden door de wolken heen Tot Gods genadig' ooren.

Grootmachtig Heer, door all' uw' daân Zien w' uwe wysheid dringen, Die all' uw' werken doet bestaan Door staâge wisselingen, Die dag en nacht doet ongesteurd Elkander volgen beurt op beurt, Den dag ons hebt beschooren Tot d' oefening van bezigheên, Den nacht om de afgesloofde leên Door rust te zien herbooren.

Wy roemen, Heer, uw diep beleid, Wy looven uw' genade, Die 's morgens zich op ons verspreid, En 's avonds komt te stade; Wy danken u, dat deezen dag Uw' Liefde-zon, gelyk zy plag, Ons weder heeft bescheenen; Wy danken u, dat gy den nacht, Tot steun van 's lichaams flaauwe kracht, Ons gunstig komt verleenen.

Maar ach! wat zyn w' in dat gety' Omringd van veel' gevaaren, Van brand, en moord, en dievery; Van droomen, die bezwaaren,

En vullen 't hert met giftig zaad Door 's vyands list, die om ons gaat; Van droeve lichaams kwaalen; Van onverwagt door fellen schoot Getroffen van de bleeke dood, In 't donker graf te daalen.

Dit doet ons denken om den nacht, Beschooren voor den boozen, Die roekeloos en dwaas bedacht Den dag verwaareloozen: Dit doet ons hert met kommer aan, Om diep in aandacht na te gaan, Of w' op den dag van heden Gevorderd zyn op 't heilig pad Naar uw' gewyde vreugdestad, Of van het spoor getreeden.

Ontsluit ons, Heer, het zielgezicht, Op dat w' erkennen mogen, Waar in wy, door verzuim van pligt, Ten kwaade zyn getoogen. Maar laat ook uw' ontfermenis, En liefde, die oneindig is, De schulden ons vergeeven, Op dat geen doodslaap deezen nacht, Ontydig over ons gebragt, Een einde maak' van 't leven.

Ei laat, terwyl wy ziel en leên Van zorg en wacht ontslaaken, Uw oog, van slaapzucht nooit bestreên, Tot onzen welstand waaken,

Op dat geen ramp den slaap belett', Geen angel zich in 't herte zett', Om listig te verstrikken Door eenig beeld van snoode lust, Maar dat door ongestoorde rust Zich lyf en geest verkwikken.

Vergun ons zo met verse kracht Onz' oogen weêr t' ontluiken. Om uw' genaê met scherper wacht Ten goede te gebruiken, En steeds, als kinders van het licht, Te wand'len voor uw aangezicht: Op dat wy, 't naare duister Des helsen nachts uit gunst ontvloôn, U mogen looven voor uw' troon In eeuwig licht en luister.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.