De onnutte voorraad.
Daar is een, en geen tweede, hy heeft ook geen kind, noch broeder: nochtans is alles zynes arbeids geen einde, ook word zyn oog niet verzadigd van den rykdom, en [zeit niet] Voor wien arbeide ik toch! en doe myne ziel gebrek hebben van het goede! dit is ook idelheid, en het is een moeijelyke bezigheid. Predi. iv.8.
Maar gy, ô mense Gods, vlied deeze dingen: en jaag naar gerechtigheid, Godzaligheid, geloof, liefde, lydzaamheid, zachtmoedigheid. I.Timoth. vi.11.