Stem. Hoe schoon licht ons de morgenster. Of Wie vaart daar heên, enz.
I
Indien de jager in het woud
Zich onvermoeid en rustig houd,
Om haas of hert te winnen;
Hoe moet gy dan, ô Christenhart!
Gehard in moeite, nood, en smart,
Betoomen uwe zinnen?
Om lust,
Om rust,
En vermaaken,
Eens te smaaken,
De geene uuren,
Maar oneindige eeuwen duuren.
II.
Zo dwingt de wakkre Kruisgezant,
Terwyl hy streeft naa 't Vaderland,
Getrouw zyne aardsche leden;
Zo jaagt hy naa het hoogste wit,
Gods roep ten hemelschen bezit,
Voor die volstandig streden:
Daar 't oog,
Om hoog
Opgeheeven,
Naa dat leven,
't Aardsch verwagten
Edelmoedig kan verägten.
III.
Hy slaat niet los en blind'ling toe,
Maar weet wanneer, waarom, en hoe
Volg zyn gezetten wandel,
Myn ziel! en jaag, met wys beleid,
Gestadig naa Godzaligheit
En Liefde in all' uw handel.
Onschuld,
Geduld,
Godvertrouwen,
Vredebouwen,
Kroone uw' dagen:
Gy sult nimmer vrugtloos jaagen.