Op het XXXIXste zinnebeeld. De vogel, door het aas bewoogen, Dat, op gehangen voor zyne oogen, Hem lokt met hoope van vermaak, Als waar 't uit gunst hem aangebooden, Heeft geenen hulp of dienst van nooden, Op dat hy in den strik geraak'. Maar als hy nu, met zyn verlangen Te boeten, in den strik blyft hangen, Hy komt 'er geensins weder uit, Al woelt en werkt hy naar vermogen, Ten zy een' hand van mededoogen Den toegehaalden knoop ontsluit. O Mens, die roemt in uw' gedachten Op ryke gaaven, groote krachten, Zie hier het beeld van uwen stand. De waereld is een woud te noemen, Waar in de zonde, waard te doemen, Een' menigte van strikken spant. Om aan die koorden vast te raaken, Is 't lokaas van haar waanvermaaken, Waar meê zy listig streelt en vleit, Waar door zy uw' verkeerde zinnen Tracht in te neemen, en te winnen, Gestadig voor uw oog bereid. Hier hoeft niet meerder by te komen, Wyl 't hert, door 't schynzoet ingenomen, U telkens noopt, en krachtig troont, Tot dat uw' wil zich laat verrukken, Om nevens and'ren 't goed te plukken, Dat zo bekoorlyk zich vertoont. Dus komt gy zelf, door list bedroogen,
Als 't vogeltje, in den strik gevloogen. Maar zult gy dien benaauwden band, Wiens droeve prang den geest doet zuchten, Eens wederom naar wens ontvluchten, Dat eist een' hulp van hooger hand. Dit tuigen Gods gewyde bladen, Met blyk op blyken overlaaden, Dat niemand raakt van zonde vry, Zo God niet zelf, van liefde ontsteeken, Hem ondersteune, en help' verbreeken De koorden van haar' slaaverny. Dit hebben all' Gods lieve vrinden, Geleerd uit leevend ondervinden, Door allen reeks van tyden heen, 't Zy ze op zich zelv' of and'ren letten, Om Gods genade in top te zetten, Erkend en williglyk beleên. Dit deed hen, met eerbiedig schroomen In 't diepst des herten ingenomen, Voorzichtig stuuren hunnen voet, En boven al zich angstig wachten, Dat geen' vermetele gedachten Ooit ingang vonden in 't gemoed. Dit deed hen in een diep verneêren, Als kindertjes, voor God verkeeren, En (recht als maagd of dienaar plag Op hunne meesters en hun vrouwen) Hun oogen steeds gevestigd houwen Op 's Heeren handen vol ontzach. Dat deed hen, als hun wank'le treden Zomwylen waaren afgegleeden Van 't spoor der Godgewyde wet, Den Hoogsten om genade smeeken, En kracht, op dat van haar' gebreken
De ziel verlost wierd en gered. En wat is anders ook de reden, Waarom Gods woord ons in gebeden Beveelt te waaken stadig aan, Als dat wy daar uit zouden merken, Dat God altyd ons moet versterken, Om van de zonden ons te ontslaan? O! laat dit steeds voor de oogen zweeven, Zo word uw hoogmoed neêrgedreeven, Zo leert ge altyd op God te zien, En hem in kleinheid aan te hangen, Om kracht van zyne gunst te ontvangen, Waar door gy 't kwaade moogt ontvliên. O! laat gestadig uw' gedachten Met ernst dit ernstig woord betrachten Van Jezus grooten Afgezant, God staat altyd den hoogmoed tegen, Maar geeft aan 't ned'rig hert zyn' zegen, Zo zyt gy zalig in uw' stand.
Cookies on Poetry Cove