Op het IIde zinnebeeld. Als 't licht der zonne op aarde speelt, Dan word 'er menig schaduwbeeld Van veelerhande form gebooren, Geschikt in hun verandering Naar maat en leeft van ider ding, Dat haare straalen komt te vooren. Die in de schaduw zich vermaakt, Zal naar het licht, dat helder blaakt, Den rug noodwendig moeten keeren, En dus met een dien lieven gloed, Die 't al verlicht, en strooft, en voed, Zo lang voor zyn gezicht ontbeeren. Maar die het tegendeel bemint, En in het licht genoegen vind, Weet, dat hy moet de schaduw vlieden, En, haar den rugge toegekeerd, Als hinderlyk aan zyn' begeert', Het aangezicht de zonne bieden. Ach! kon de ziel dit staâg bevroên! Wat zou, wat zou men in haar doen Een' grooten ommekeer bespeuren, Die door een schynschoon, dat verraad, Zo dwaas zich overreeden laat, Om schaduwen voor 't licht te keuren. Al wat men hier beneden ziet, Zyn schaduwen, en anders niet, Die in der dwaazen oog wat schynen, En houden 't hert verwonderd staan, Doch zekerlyk in 't eind vergaan, En, als een enkel niet, verdwynen. Maar in den hemel schynt een' zon,
Waar by nooit luister haalen kon, Die tyd noch eeuwe kan bepaalen, Gods Zoon, wiens licht, dat nooit verdooft, Verlicht, en reinigt, voed, en stroost Al wat zich stelt in zyne straalen. Doch even als het in den staat Der zichtb're zonne en schaduw gaat, Zo is het juist ook hier gelegen; Die de eene zoekt, moet de and're vliên. Leer dan, ô ziele, toe te zien, En laat het zwaarst het zwaarste weegen.
Cookies on Poetry Cove