Skip to content
1714

Leerzaame zinnebeelden

Adriaan Spinniker

Op het XXXIVste zinnebeeld. De levenskracht, die in het kind Noch zwak en teder zich bevind, Eist veelerlei behulpzaamheden Van leiband, loopstoel, en wat meer Kan dienen, dat het kindje leer' Op zyne voeten staan, en treeden. Maar als men eens een' gryzaard zag, Die in zyn' hoogbejaarden dag Dus eerst het leven aan ging vangen, En, als een kind in zynen stand, Een' loopstoel noodig had, of band, Tot stutsel voor zyn' zwakke gangen, Verwondering zou 't hert verslaan, En doen als opgetoogen staan. Doch laat het uwe ziel niet kwellen, O Waereldling, als gy bevind, Dat wy met zulk een ouden kind Niet schroomen u gelyk te stellen. Want schoon gy, door verheven waan, En eigenmin, u voor laat staan, Dat gy al lang begond te leeven, En lacchen zoud, om die, beducht Voor uwen val, uit trouwe zucht U 't kindertuig tot steun wou geeven; Het staat nochtans met u zo breed En schoon niet, als gy u vermeet. Neen, neen; hoe zeer ge u durft beroemen, Het leven, dat gy in u ziet, Verdient den naam van leven niet. Maar is veel eer een' dood te noemen. Al roert gy 't lichaam, en zyn' leên,

Al gaat gy met gezwinde schreên, Al kunt gy werken, drinken, eeten, Al zyt gy vaardig in 't bedryf, Dat opzicht heeft op 't aardse lyf, Dit mag nochtans geen leven heeten. Maar als de geest zich vlug, en sterk, En vlytig toont in 't groote werk, Van zynen Heer hem voorgeschreeven, Dat draagt, naar redelyk bescheid, In 't heilig woord ons voorgeleid, Alleen met recht den naam van leven. Dit leven is u onbekend, Terwyl zich uwe ziel gewent, Als dood of sluimerziek te rusten, Gestreeld, gekoesterd, en gevleid Door veelerlei bekoorlykheid Van lyfsvermaak en dwaaze lusten. Of komt zomwylen uw gehoor 't Gewag van 't waare leven voor, Gy laat het ongevoelig vaaren, Als waar 't voor u noch veel te vroeg, En zyn beginsel tyds genoeg Te aanvaarden in uwe oude jaaren. O dwaasheid, die geen' weêrga vind, Dan eerst, gelyk een teder kind, [B]egin te maaken van het leven, Wanneer de tyd ten einde neigt, En ider uur het leven dreigt Zyn' laatsten ademtocht te geeven! En ach! wat word hier menig mens Versteeken van zyn' hoop en wens! Wat moet, wat moet 'er menig sterven, Eer hy het leven eens genoot, En sterven, gants van hoop ontbloot,

Dat hy het leven ooit zal erven! Wys is hy dan, en wel bedacht, Die 't leven van den geest betracht, En zynen leeftyd niet by dagen, By maanden, noch by jaaren meet, Maar by den voortgang, dien hy deed In 't doen van 's Hemels welbehaagen! Die heeft in waarheid lang geleefd, Of schoon hy in zyn' jongheid sneeft. En stygt hy op tot hooge jaaren, De grysheid, op het pad der deugd Gevonden, strekt zyn' ziel tot vreugd, En eene kroon voor zyne haaren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Leerzaame zinnebeelden · Adriaan Spinniker · Poetry Cove