Skip to content
1714

Leerzaame zinnebeelden

Adriaan Spinniker

Op het XIde zinnebeeld. Wie is 'er meer beroofd van zinnen, De dwaas, of die den dwaazen vleit, En zoekt door slaafse dienstbaarheid En smeeken zyne gunst te winnen? Gewis, indien dit iemand zag, Hy zou met reden zich versteuren, En zulken mens uitzinnig keuren, In twyfel staande, of zyn gedrag Beweenen waard was, of bespotten: Want wat waardeering van het goed (Dus zou hy denken in 't gemoed) Heeft immer plaats in 't hert der zotten? Zo weinig als een blindeman 't Verschil der verwen kan beduiden, Of de onderscheiding der geluiden In 't oor des dooven vallen kan. Maar gy, wien billyk deeze handel Een afkeer in de ziel verwekt, Zie, of dit wanbedryf niet strekt Ten spiegel van uw' eigen wandel. Laat uw gemoed in ernst bevroên, Of uw onwaardelyk mispryzen Niet tevens bondig ko[rt] te wyzen Het vonnis van uw [ei]gen doen. Het meeste deel der stervelingen Legt al zyn poogen en bestaan, Legt all' zyn' vlyt en arbeid aan, Om in des waerelds gunst te dringen; Zoekt haar gestadig door 't beleid Van zyne werken te behaagen, Haar' lof en achting te bejaagen

Door allerlei gedienstigheid. O! vind gy u al meê hier onder, Dat dan het vleijen, aan een' dwaas In 't werk gesteld, u niet verbaaz', Als waar 't een overzeldzaam wonder. Gy zyt de man, die onbedocht Te koste legt alle uw' betrachting, Op dat gy in de gunst en achting Van eenen dwaas geraaken mogt. Want wat is toch de booze waereld, Hoe zeer zy haaren aard verbloemt, Hoe hoog zy op haar' wysheid roemt, Hoe ze opgesmukt is, en bepaereld, Wat is zy anders in der daad, Als eene dwaaze, die onaardig Keurt allen roem en eere waardig, Het geen veeleer m[o]est zyn versmaad; Die als oneerlyk durft verwyzen, 't Geen meest met eer moet zyn gekroond, En dus op 't allerklaarst vertoont In haar verheffen en mispryzen, Hoe 't haar ontbreekt aan goed beleid, En kracht van oordeel, om te dringen Tot in het wezen van de dingen, En naar een keurig onderscheid Een billyk vonnis uit te spreeken! Dat blykt, als zy de godsvrucht hoont, En haare gunst en achting toont Aan snoode zonden en gebreken. Dat blykt, wanneer zy met den voet Verstoot het eeuwig en onendig, En kiest het nietig onbestendig Van deezen tyd voor 't hoogste goed. Is 't ongerymd dan, dat een wyze

Een' dwaazen liefkoost, vliet, en streelt, En als iets wenslyks zich verbeeld, Dat die hem gunst betoone, en pryze, Dat dan uw hert en oog niet meer Op 's waerelds achting blyven staaren, Maar laat die dwaaze heenen vaaren Met haare vriendschap, gunst, en eer: Op dat u 't woord niet staa te vreezen, Van Jezus dienaar voortgebragt, Die naar des waerelds vriendschap tracht, Zal als Gods vyand zyn verweezen. En 't zy die dwaaze u pryst, of laakt, Laat enkel uwe zorge letten, Dat gy naar 't richtsn[o]er van Gods wetten Gestadig rechte gangen maakt. Zoek dus by hem in gunst te raaken, Die over iders kwaad of goed Alleen het oordeel vellen moet, En 't best naar waarheid op kan maaken. Zoek eer by hem, wiens wys beleid Alleen 't eerwaardige eer kan geeven; Wiens eer niet eindigt met dit leven, Maar strekt zich uit in de eeuwigheid.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Leerzaame zinnebeelden · Adriaan Spinniker · Poetry Cove