Skip to content
1714

Leerzaame zinnebeelden

Adriaan Spinniker

Op het XLVste zinnebeeld. De wakk're hond, terwyl zyn heer, Met zyn gezin ten dis gezeten, Den graagen honger boet met eeten, Vertoont zich dapper in de weer Met springen, buigen, vleijen, streelen. O stomme beest, wat dryft u aan, All' die beweeging aan te gaan, Zelf zonder teken van verveelen? Al is geen menselyk verstand, Of redenskracht aan u gegeeven, Noch weet gy echter, dat uw leven En welzyn staat in 's meesters hand. En schoon gy mist ook het vermogen Van onderscheidelyke taal, Noch weet gy, dat door zulk onthaal Uw heer gestadig word bewoogen, Om u van spyze te verzien. Dus dient u dit bedryf voor spreeken, Verzoeken, en ootmoedig smeeken, Op dat hy u zyn' gunst mogt biên. En wat is 't wit van uw verlangen? Geen schotel wildbraad, of banket, Van 's meesters is u voorgezet; Maar mogt gy slechts van hem ontvangen, 't Geen van de tafel overschoot, Om naar den vuilnisbak te draagen, Een been of bonk om aan te knaagen, Een harde korst, of brokje brood, Om uwe holle maag te spyzen, Gy namt het in genoegen aan, En zoud, door 's meesters gaaf voldaan,

Op uwe wys hem dank bewyzen. O stomme beest, dat uwen heer Erkent, en liefkoost naar vermogen, Op dat zyn' gunst, tot u getoogen, U nooddruft toevoege, en niet meer, Hoe overtuigt gy veele mensen, Die steeds met koppen en gemoed Om ryk genot van overvloed, En hoogen staat, en weelde wensen, En, recht als waaren zy het lot, Daar 't hert op steroogt, dubbel waardig, Gestaâg onlydzaam en onaardig Bestaan te morren tegen God, Wanneer hy weigert hen te geeven Hun h[e]rtenwens in volle maat, Maar laat hen hier in eenen staat Van laagheid of behoefte leeven. Waar heen, waar heen, verdoold gemoed? Of waant gy meer te zyn in de oogen Van God, dien heiligen, dien hoogen, Als by een mens een hondje doet? O neen; uw maaksel, dat, van aarde, Zich de aarde weêr ziet toegeleid, Stelt u by 's hemels Majesteit In een' gelyken stand van waarde, Als 't allerongeachtste beest. Of zyt gy boven 't vee verheven, Om dat ge in u gevoelt het leven Van eenen redelyken geest? Wien hebt ge, als Gods genaê, te danken, Dat u die gaaf te beurte viel? En wat bezit toch uwe ziel, Dan kleine droppeltjes en spranken, By Gods volmaakte oneindigheid?

Wat zyt gy menigmaal door zonden Onwaardig al het goed bevonden, Door zyne gunst u toeg[e]leid! En ach! zo God, naar uw begeeren, U ruimer staat bereiken liet, Wie weet, of gy zyn' goedheid niet Tot voortgang in het kwaad zoud keeren! Laat vaaren dan dien dwaazen waan: En word u van Gods hand gegeeven Niet meer dan nooddruft om te leeven, Hou uwen wens daar meê voldaan. Gedenk aan haar, die zich voor deezen Meer dan genoeg gezegend vond, Zo ze, als een hondje, van den grond De tafelkruimtjes op mogt leezen, In Jezus oog zo waard geacht, Om haar geloof en diep verneêren, Dat haar volkomen hertsbegeeren Haar door zyn' gunst wierd toegebragt. Hier tussen, voelt gy u gedreeven, Een' wens te voeden in 't gemoed, Wens deel te hebben aan het goed, Daar God uw' wens toe heeft verheven, Dat u Gods mond heeft toegezegd, En sterk bevolen naar te jaagen, Door 't volgen van zyn welbehaagen In allen stand, u opgelegd. Wens, dat Gods gunst u steeds genegen En vaardig maake, om 's levens baan Met wakk're schreeden langs te gaan. Wens boven alles, als een' zegen, Om eenen geest van ned'righeid, Die 't pad naar 't eeuwig wel bereid.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Leerzaame zinnebeelden · Adriaan Spinniker · Poetry Cove