Op het XXVIIste zinnebeeld. Daar 't bygeloof den meester speelt, Word nu en dan een houte beeld, Versierd, om de oogen te behaagen, Met zilver, goud, en ryk gewaad, En eêl gesteente, langs de straat In pracht en staatsi omgedraagen. Op 't nad'ren dier gehulde pop, Ziet ider deur en vensters op; En, met geen bloot gezicht te vreden, Valt oud en jong ter aarde neêr, Met veel bewys van dienst, en eer, En lofgezangen, en gebeden. Maar schoon zich elk om 't vuurigst kwyt Met domme drift, en blinde vlyt, Wat is, wat is 'er toch bedreeven, Wanneer men 't in den grond beziet, Dan idelheid, en anders niet, Die aan haar voorwerp niets kan geeven? Dat blyft, gelyk het is geweest, Een houte beeld, dat, na het feest, Word in een' stillen hoek vergeeten, Van zyn' sieraaden gants beroofd, Ja zomtyds wel, van een gekloofd, Als brandhout in het vuur gesmeeten. Gelyk het beeld, zo is de mens, Die, hier verheven naar zyn' wens Tot hoogen staat, ontelb're zielen, Verblind door 't uiterlyk sieraad Van paerlen, goud, en praalgewaad, Eerbiedig voor zich neêr ziet knielen: Die, wyl hem elk dus streelt en vleit,
Zo diep verzeild in de idelheid Van zyn' vermetele gedachten, Dat hy niet meer zich zelve kent, En durft al waar hy 't oog naar wend, Als verr' beneden zich, verachten. Wat eer hem ook word aangeboôn, Hy is, en blyft een's mensen zoon, Een schepsel van gelyke waarde, Belaaden met het zelve pak Van noodbehoefte, en ongemak, Als de allerminste mens op aarde. Haast word hy door de bleeke dood Van al zyn' glans en pracht ontbloot, En in het duister graf gedreeven; Daar zelf zyn naam, in 't stof geleid Ter prooje der vergeetenheid, Uit elks gedachten word gewreeven. En was 't met veelen hier gedaan! Maar ach! hoe zal het hen vergaan, Die zich gerust in 't kwaad vergeeten, En tot hun eind van 't goede vliên, Als van den eertroon zich te zien Met smert in 't eeuwig vuur gesmeeten? O schraale! ô jammerlyke vrucht Van's waerelds eer, wiens dwaaze zucht Zo veele herten kan behaagen, Daar, zelf met kwetsing van 't gemoed, Ten koste van hun goed en bloed, Veel' duizenden met vlyt naar jaagen! Ach! dat uw denkbeeld eens ter deeg Een' ingang in de ziele kreeg, Hoe zou zy met verhelderde oogen, Hoe zou zy met bedaarden zin De dwaasheid zien van haare min,
Door schyn van goed te slecht bedroogen! Hoe zou haar opgezwollen moed, Door waan gekoesterd en gevoed, Op dat gezicht ter aarde daalen, En ruimen 's herten zetel in Voor ned'righeid, om, als vorstin, Met vollen glans daar op te praalen! Ja, waereldlingen, laat u raân, Om zulk eene eere te versmaân, Die niet, dan wind, u geeft te plukken, Of stelt in 't uiterste gevaar, Om u ten afgrond, droef en naar, In smaad en schande neêr te rukken. Laat u beweegen, om met vlyt, Aan 't pleegen van de deugd gewyd, Naar 't recht genot van eer te streeven; Naar eer, die stand en wezen heeft, Die hier de ziel genoegen geeft, En byblyft in het eeuwig leven.
Cookies on Poetry Cove