Skip to content
1714

Leerzaame zinnebeelden

Adriaan Spinniker

Op het XIVde zinndebeeld. Is 't brein ontbloot van goed verstand en reden? Of is de man zyn geld al willens moê, Dat hy het gaat aan zulk een dier besteeden, En ziet niet eens op zyn' gebreken toe? Zo zou met recht en reden ider vraagen, Wanneer hy zag, dat iemands zinlykheid Vond in een blind of kreupel paard behaagen, Om 't sierlyk kleed, op zynen rug gespreid. Maar is de mens al meer in 't hert beraaden, Die of zich zelv', of anderen verheft, Om dat hun tooi van prachtige gewaaden Het ned'rig kleed in aanzien overtreft? O neen, ô neen. Het keurig oog der wyzen, Dat verder, dan het uiterlyke, gaat, Leert hun gemoed geen' mensen ooit te pryzen, Om 't groots vertoog van 't kostelyk gewaad. Die weeten, dat de kleeding is gesprooten Uit de eerste zonde, als 't afgeweeken paar Het aangezicht met schaamte vond begooten, Wanneer het oog hun naaktheid wierd gewaar. Die weeten, dat het rykelyk omhangen Van zyde, en goud, en paerlen vol van gloed, Die ziel in 't minst geene eere doet ontvangen, Noch tot sieraad kan strekken voor 't gemoed. Die weeten, dat veeltyds in weitse kleeden Een herte woont met zondenvuil bevlekt, Of dat op 't minst in deeze uitwendigheden Zich de idelheid van 's mensen geest ontdekt. Die weeten, dat het geen met die gewaaden (Indien men 't naar zyn rechte wezen noemt) Niet in der daad versierd is, maar belaaden,

Met al zyn' pracht is ten verderf gedoemd. Die weeten, dat nooit trotse God bevielen, Noch 't heilig oog met lust de grootsheid ziet; Maar dat hy woont by nederige zielen, En in zyn' wet de zedigheid gebied. Die weeten, dat ootmoedigheid te vooren, Met as bestrooid, en met een' zak gedekt, Verzetten kon den slag van 's Hemels tooren, Door euveldaân tot felle wraak gewekt. Die weeten, dat de Heiland hier beneden In 't slecht gewaad den zynen ging voorheen, En eindelyk aan 't kruis met naakte leden Ten schouwspel hing, om ons met heil te kleên. Dit brengt hun ziel tot betere gedachten, Dit doet hen slaan geheel een' and'ren toon, Als die om 't kleed den mens eerwaardig achten, Te dwaas verrukt door 't uiterlyke schoon. Dit doet hun hert alle aardse pracht versmaaden, En, vergenoegd met deksel voor de leên, Aan 't jaagen naar de rechte ziel-sieraaden, De waare deugd, hun tyd en vlyt besteên. Gy, die zo graag den naam van wys zoud draagen, Richt uwe keur naar deeze regelmaat. En kan de kracht der reden u behaagen, Volg haare les door weezendlyke daad.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Leerzaame zinnebeelden · Adriaan Spinniker · Poetry Cove