De dwaaze koopmanschap.
Myne broeders, hebt het geloof van onzen Heere Jezus Christus, [den Heere] der heerlykheid, niet met aanneeming des persoons. Want zo in uwe vergadering kwam een man met eenen gouden ring aan den vinger, in eene sierlyke kleeding, en daar kwam ook een arm man in met eene slechte kleeding; en gy zoud aanzien den geenen, die de sierlyke kleeding draagt, en tot hem zeggen, Zit gy hier op eene eerlyke plaats; en zoud zeggen tot den armen, Staa gy daar, of, zit hier onder mynen voetbank: Hebt gy dan niet in u zelven een onderscheid gemaakt, en zyt rechters geworden van kwaade overleggingen? Jakob.ii.1,2,3,4.