Skip to content
1714

Leerzaame zinnebeelden

Adriaan Spinniker

Op het XXXVste zinnebeeld. Die, in een' kerker opgeslooten, Van licht en mensen is verstooten, Met enge boeijen zwaar belaân, Gevoelt natuurlyk 't hert bevangen Van onophoudelyk verlangen, Dat hooger macht hem kome ontslaan: Op dat hy, voor het naare duister, Geniet' den minnelyken luister, En 't lieve schynsel van den dag; En, van verdriet en dwang ontheven, Met vrienden en bekenden leeven, En vreugd in vryheid scheppen mag. Ja kon hy zelf de staale banden Van voeten scheuren, en van handen, Hy stelde list en kracht te werk, Door vlyt en moeite niet bezweeken, Om door de muuren heen te breeken, Hoe wel bezorgd, hoe vast, en sterk. Al wierd, in dat bepaalde leven, Van alles hem volop gegeeven; Al mogt hem, om in lust te baân, Zyn volle wens altyd gebeuren, Noch zou hy 't voor wat beters keuren, Uit zyn' gevangenis te gaan. Zo word naar 't lichaam vry te weezen By ider als wat groots gepreezen. En 't gaat ons, dwaazen, niet aan 't hert, Schoon de ed'le ziele zit gevangen: Ja zelf gevoelt zy geen verlangen, Dat eens haar staat verwisseld werd'. De waereld, en dit aardse leven,

En 't lichaam, schoon het, niet omgeeven Met banden en gevangenis, Op vryheid schynt te mogen roemen, zyn een gevangen huis te noemen, Waar in de geest gekerkerd is. De rechte vryheid is hier boven, Daar de Engelen den Hoogsten looven In ongemeeten' heerlykheid. Daar heeft de ziel haar' beste vrinden, Daar is haar goed en erf te vinden, Haar huis en wooning toebereid. De zon is doof, en zonder glansen, By 't helder licht, dat 's hemels transen Doorschynt met onbevlekten gloed. En wat men zich hier zoets verbeelde, 't Is bitter by de zuiv're weelde, Die 't geestendom verkwikt en voed. O! kon de ziel dit recht bezinnen, Hoe zou de zucht haar overwinnen Tot zulk een' staat, vol lust en eer! Wat zou zy een' begeerte toonen, Om uit het lichaam uit te woonen, En in te woonen by den Heer! Kon haar verlangst den tyd doen ylen, De jaaren wierden korte mylen, En ider dag een oogenblik. Of kon zy zelf haar' banden breeken, Zy vloog naar de eeuwig-klaare streeken, Verr' boven 's waerelds damp en slik. Al wierd haar volle keur gegeeven Van al wat groot is, en verheven, En schoon, en lustig hier op aard; Al mogt zy kroonen rykstaf draagen, Niets zou haar in het minst vertraagen,

Of wederhouden in haar' vaart. Maar ach! het meeste deel der mensen Gevoelt geen' and'ren trek of wensen, Als dat het aardse levenslot Een' reeks van jaaren mag beklyven: Ja kon men hier oneindig blyven, Men liet den hemel wel aan God. Van waar dat dwaaze welbehaagen, Als dat de ziel, van de eerste dagen Tot haar' gevangenis gewend, Al vroeg aan ketens van de zonden En kwaâ begeerten vastgebonden, Geen beter goed noch leven kent? O jammerlyke stand der zielen! Wat volgt, wat volgt u op de hielen Een sleep van bitter ongeval! Want hoe gy hier naar lust moogt haaken, Eens zal nochtans de dag genaaken, Die 's waerelds kerker sloopen zal. En schoon dit leed noch veele jaaren, Haast zal het uur zich openbaaren, Dat, 's lichaams banden losgedaan, Verbroken, en van een gesprongen, De ziel, haars ondanks, word gedwongen Uit 's levens kerker uit te gaan. Dan word zy wel van de eene ontbonden, Maar ziet eerlang zich weêr verzonden Tot andere gevangenis, Daar zon, noch maan, noch sterren schynen, En 't yselyk gevoel van pynen Het eeuwig loon der dwaasheid is. Laat u, ô Mens, dit lot verschrikken, Op dat zich van de zondestrikken Uw' ziel eens mag ontslaagen zien.

De Hoogste laat u hier toe nooden; Zyn' bystand word u aangebooden, Om dat gevangenhuis te ontvliên. Zo kunt gy, trouwe deugdenwerker, Met vreugde gaan uit 's lichaams kerker, Om eens, in Gods paleis geleid, Te deelen, met zyn' lievelingen, In de overdierb're zegeningen Van vryheid, en van heerlykheid.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Leerzaame zinnebeelden · Adriaan Spinniker · Poetry Cove